Inundatie en evacuatie

De inundaties in de delta van Zuid-Holland en Zeeland in maart en april 1944 waren veel ingrijpender dan de onderwaterzettingen in bijvoorbeeld de Nieuwe Hollandse waterlinie. Het betrof hier zonder uitzondering inundaties met zout zeewater met alle extra schadelijke gevolgen vandien voor de landbouw en vooral de tuinbouw. Bovendien werden er veel uitgestrektere en aaneengesloten oppervlaktes geïnundeerd: hele delen van eilanden en zelfs nagenoeg complete eilanden. Onderwaterzettingen boden de mogelijkheid de Duitse kustverdediging in de delta op gelijke sterkte met andere delen van de Atlantikwall te brengen zonder dat daar extra troepenversterkingen voor nodig waren. Naarmate de oorlog vorderde werd het daarom steeds urgenter om tot grootscheepse inundaties van de delta over te gaan. Ten noorden van noorden van de Oosterschelde waren de inundaties het meest uitgestrekt. De eilanden Tholen en Schouwen-Duiveland verdwenen grotendeels onder water, evenals Sint Philipsland, het oosten van Goeree-Overflakkee, Tiengemeten en het zuiden van Voorne-Putten en de Hoeksche Waard.

 

(Bron: Verdreven voor de Atlantikwall)


Alle inwoners van Schouwen-Duiveland moeten vóór 5 maart geëvacueerd zijn, omdat het eiland door de Duitsers Onder water wordt gezet. Wat voor Schouwen-Duiveland geldt, dat geldt ook voor Tholen en voor een groot deel van Sint Philipsland. Ten noorden van de Zeeuwse eilanden worden Flakkee en delen van Voorne-Putten geïnundeerd. In totaal 60.000 personen moeten huis en haard verlaten. Daarmee is het de grootste volksverhuizing waarmee de delta in de oorlog te maken krijgt. Bekijk hier de officiële publikatie.
Er doen in de winter van 1943 op '44 al een tijdje geruchten de ronde dat de Duitsers delen van de delta onder water willen zetten. Want Duitsland heeft onvoldoende troepen om de hele westkust van Europa af te schermen tegen de dreigende invasie van de geallieerden. De oorlog die Hitler in Rusland en in noordelijk Afrika voert, vraagt immers veel manschappen en materieel. Als we - zo is de redenering van de Duitse militaire strategen - delen van het deltagebied onder water zetten, zullen de geallieerden daar niet aan land komen, want dan lopen ze vast in de modder. Dus hoeven we daar geen troepenmacht te concentreren.
Omdat de monding van de Westerschelde - de toegangspoort tot Antwerpen - wel een zware verdediging kent, gaat het alleen om de noordelijker gelegen eilanden, duidelijk de zwakke schakels in de Duitse kustverdediging. Even zijn er plannen om ook polders in midden-Zeeland, waaronder Noord-Beveland, onder water te zetten, maar dat gaat uiteindelijk niet door. Maar de inwoners van Schore, aan het Kanaal door Zuid-Beveland, krijgen begin februari wel te horen dat ze moeten evacueren, omdat de polder rond hun dorp onder water wordt gezet.
(Bron: Verjaagd door vuur en water)


Inundatie DeZeeuw 160544

Jaap Vriesendorp ( eigenaar en bewoner van Slot Moermond, Renesse) is al in 1942 door de Duitse bezetter gerekruteerde als Hoofd Afvoer Burger Bevolking voor het organiseren van de vanzelfsprekend niet populaire evacuaties van mens en dier. In 1942 worden Schouwenaren uit hun huis gezet voor het bouwen van de Atlantikwall. In Februari 1944 wordt een extra defensieve maatregel genomen door de Duitse bezetter. De uitwateringssluizen op het eiland worden gesloten. Overtollig zoet water kan bij eb niet meer afvloeien en het waterniveau op het eiland stijgt langzaam. Later worden de sluizen kort bij hoog tij open gezet om een nog  groter gedeelte van het eiland ontoegankelijk te maken voor de geallieerden.
(Bron: Schouwen-­Duiveland , Herfst 1944 – revisited)

 

< Bericht van 16 mei 1944Inundatie DeZeeuw 300544

 

Geruststellende woorden van Seyss-Inquart op 30 mei 1944 >

 

Steeds meer evacués mochten van de bezetter terugkeren om te helpen bij inundatiewerkzaamheden en voor de ondersteuning van het boerenbedrijf op het droog gebleven westelijk deel van het eiland. In Burg-Haamstede en Renesse alleen al verbleven bijna 500 evacués. Ondanks de evacuatie woonden overal in de dorpen nog mensen. In Zierikzee nam in de maanden na de evacuatie de bevolking zelfs weer toe tot ruim 800 mensen in juli 1944. Blijkbaar waren er toch meer mensen nodig voor de dagelijkse gang van zaken in de stad en op het eiland dan eerder was voorzien.
(Bron: Verdreven voor de Atlantikwall)

 

Lees hier een fragment uit het dagboek van Nellie Padmos

 

[foto's Beeldbank Archief Schouwen-Duiveland]


 

Schouwen-Duiveland Ieek tot diep in de bezettingstijd het minst gevaarlijke gewest van ZeeIand. In het voorjaar van 1944 kwam hierin verandering. Plotseling gingen de Duitschers Schouwen-Duiveland bezien als een belangrijk onderdeel van de bedreigde Westwall en tegelijk als een der zwakke plekken daarin. Dientengevolge kwam als een donderslag bij helderen hemel het bevel, dat het eiland geïnundeerd moest worden en dat de bevolking voor het grootste deel had te verdwijnen. Het zoute zeewater drong door de geopende sluizen de vruchtbare oorden binnen en de boeren en burgers vluchtten naar elders. Geheele dorpen lagen verlaten; van de 7000 inwoners van Zierikzee bleven er slechts 'n paar honderd, de z.g. onmisbaren, in de stad wonen. Alleen de hoog gelegen kuststrook bij Haamstede en Burgh kwam er beter af. Nieuwe teleurstelling en beproeving bracht het najaar van '44. Geheel Zeeland werd door de geallieerden van Duitschers bevrijd, alleen Schouwen, het eenige echte Zeeuwsche eiland bleef in handen van den vijand.
Bron: Zeeland in bewogen dagen

SCH DVL 44 45stoomtram inundatie

De grootschalige inundaties ten noorden van de Oosterschelde hadden een omvangrijke en ingrijpende evacuatie van de eilandbewoners tot gevolg. Bewoners konden alleen naar het gebied ten oosten van de lijn Gouda-Dordrecht-Wagenberg-Roosendaal, hoewel daar ook restricties voor vestiging golden. Medio maart waren volgens diverse officiële bronnen tegen de 60.000 mensen geëvacueerd, waaronder ruim 15.000 bewoners van Schouwen-Duiveland, rond 10.000 van Tholen en ruim 10.000 van Goeree-Overflakkee. In Tholen richtte ruim de helft van de evacués zijn schreden naar Noord-Brabant, een kleine kwart naar Zuid-Holland, en de rest naar het zuiden van Zeeland. De evacués van Schouwen-Duiveland gingen voor bijna de helft naar het zuiden van Zuid-Holland. Een derde deel kwam terecht in Noord-Brabant en het zuiden van de provincie Zeeland, vooral de Bevelanden. Veel evacués, op Schouwen-Duiveland bijna driekwart, wist zelf onderdak te vinden bij vrienden en bekenden bij wie men natuurlijk het liefst zo dicht mogelijk in de buurt wilde blijven.  Van alle eiland-evacuaties in Zeeland was die van het sterk geïsoleerd gelegen Schouwen-Duiveland de meest omvangrijke en lastigste. Dat hield niet alleen verband met het aantal mensen dat naar 'de overkant' gebracht moest worden, maar vooral met de forse transport logistieke belemmeringen. Er waren eigenlijk maar twee bootverbindingen tussen Schouwen-Duiveland en het vasteland.
De pont van Zijpe naar Anna Jacobapolder was de belangrijkste van de drie diensten en had goede aansluitingen op het tramwegennet. Tijdens de evacuaties van 1944 was het eiland vooral op deze dienst aangewezen, omdat de boten die van Zierikzee op het Katse Veer voeren uitgevallen waren door geallieerde beschietingen. De meer dan 350 bewoners van Schouwen-Duiveland die in Yerseke onderdak hadden gevonden, kwamen in de herfst van 1944 midden in het krijgsgewoel terecht.
(Bron: Verdreven voor de Atlantikwall)


Waar naar toe?

Wie noch familie noch vrienden buiten het eiland heeft, is aangewezen op de gemeente, die je bij wildvreemde mensen in een dito omgeving onderbrengt. Veel bewoners van het eiland Tholen kiezen dan maar liever voor het eigen initiatief en gaan zelf zoeken. Ze hebben het voordeel dat Tholen met een brug verbonden is met West-Brabant. Dus stappen velen op de fiets, rijden de brug over en gaan in Bergen op Zoom, Halsteren, Nieuw-Vossemeer en Steenbergen op zoek naar een adresje. Want ze willen het liefst zo dicht mogelijk bij huis blijven.
Het Bureau Afvoer Burgerbevolking mag dan een lijst hebben van plaatsen waar mensen zonder een eigen evacuatieadres dienen te worden opgevangen, daar maakt bijna niemand gebruik van. Zo moeten de inwoners van Scherpenisse worden opgevangen in Raamsdonk, Geertruidenberg en Waspik. Maar uit het overzicht dat de gemeente in 1944 maakt, blijkt dat er in Raamsdonk en Geertruidenberg geen enkel gezin terecht is gekomen en in Waspik slechts drie. Hoezeer iedereen op eigen houtje onderdak zoekt én vindt, blijkt uit het feit dat de circa 375 gezinnen uit het dorp verspreid raken over niet minder dan 89 verschillende plaatsen in Nederland.
Lees meer, o.a. over Kerkwerve dat in Woudenberg terechtkomt.
 
Dankzij de bemiddeling van rayonopzichter Houterman van de Heidemij in Ede komt een Groep van achttien gezinnen uit Stavenisse in het werkkamp 't Wijde Veld op de Ginkelse Heide midden op de Veluwe terecht. Houterman heeft een Thoolse vrouw en zij nemen hun zwager, boer Kees Steendijk uit Stavenisse, in huis. Zodoende hoort boer Steendijk dat er midden op de Veluwe een werkkamp van vier barakken leeg staat. Voor de oorlog waren daar arbeiders gehuisvest van de DUW de Dienst Uitvoering Werken.
Het kamp heeft een kantine, een centrale keuken, een waslokaal, wc's en een toegangspoort met een houten huis waarin kampleider Appels met vrouw en twee dochters woont. In de woonbarakken moet met wat houten schotten voldoende privacy te maken zijn om er een kleine twintig gezinnen in te huisvesten. Zo ontstaat het idee om van ’t Wijde Veld een Thoolse nederzetting te maken. Een idee waar ze in Stavenisse graag gebruik van maken. Dus reizen families als Den Braber, Dorst, Van Eenenaam, Goedegebuure, Van Haafen, Hage, Klippel, Potappel, Rijstenbil, Suurland, De Vos en Van Vossen er – deels per trein, deels met vol geladen boerenwagens - begin maart naar toe. In totaal zijn het achttien gezinnen, samen 102 personen.
(Bron: Verjaagd door vuur en water)


 

Terug hoofdpagina2