1945 Noodboerderijen

Om de eerste nood te lenigen werd besloten noodwoningen en noodboerderijen te bouwen waarvan de levensduur op tien jaar werd geschat. Gedupeerden die voor een noodwoning, een noodschuur of een combinatie in aanmerking wilden komen namen contact op met de Dienst en moesten vervolgens een formulier invullen waarop een groot aantal gegevens werd vermeld. In totaal werden op Walcheren 144 noodstallen en 193 noodwoningen gebouwd. De gemiddelde grootte van deze bedrijven was 14,56 ha met als kleinste bedrijf 0,03 ha en als grootste 94,44 ha. Het merendeel van de grote bedrijven bevond zich in de buurt
van Arnemuiden en Ritthem, 40 bedrijven - dus bijna de helft - waren kleiner dan 10 ha. De gemiddelde gezinsgrootte in de 75 vermelde noodwoningen bedroeg 5 personen. In de 69 vermelde noodstallen werden in totaal 367 melkkoeien, 311 stuks ander vee, 218 paarden en 161 varkens gehuisvest.
De noodwoningen en de noodschuren boden - zoals eerder vermeld - slechts onderdak voor mens en dier. Voor opslag, de machines en landbouwwerktuigen was geen plaats. Vaak werd er geïmproviseerd om meer bergruimte te verkrijgen. Restanten van de sloop, aangespoeld hout, alles wat maar enigszins bruikbaar was werd benut.
Bron: Noodboerderijen op Walcheren

Noodboerderijen werden in principe toegewezen aan ieder die tien hectaren of meer land beboerde. De toewijzing was in handen van het Bureau Wederopbouw Boerderijen aan de Seissingel in Middelburg. Het bureau was een onderdeel van de Dienst Landbouwherstel. Voor het gespaard gebleven vee in het bijzonder getroffen Westkapelle werd een gezamenlijke noodstal gebouwd. De bouw was gezien de omstandigheden na de inundatie nog moeilijker dan elders in het land. Er was geen elektriciteit, geen zoet metselwater en ook geen bouwmateriaal behalve stenen uit gesloopte panden. Hout was zo schaars dat voor de kappen soms rondhout werd gebruikt, dat eventueel nog in de lengte werd doorgezaagd bij wijze van besparing. De boerderijen hadden rode bakstenen spouwmuren en lessenaardaken (flauw hellende daken) met daarop asfaltpapier. In de gevels zaten deuren en ramen in kleine witte kozijnen. De schuurdaken waren meestal met riet gedekt; bij aangebouwde woningen waren die van een rieten zadeldak of een met asfaltpapier voorzien zadeldak voorzien.
Bron: Encyclopedie van Zeeland


Wanneer de eerste boerengezinnen in 1946 terugkeren naar drooggepompt Walcheren, staren ze verbijsterd naar de kale vlakte, met de schamele resten van hun verwoeste boerderijen, huizen of schuren. Waar de horizon twee jaar daarvoor nog bekleed was met het weelderigste lover, torenen daar nu alleen nog de takken van dode bomen.In die woestenij, getekend door bommenregens en de binnenstromende zee, zijn in het eerste jaar na de oorlog meteen noodgebouwtjes opgericht, bedoeld om de voedselproductie weer op gang te krijgen: eenvoudige boerderijtjes, huisjes en schuurtjes, zo klein dat nauwelijks een bed in de slaapkamer past, en gereedschap in de buitenlucht moet worden gestald. Zonder stromend water ook, of elektriciteit.
Toch was het – na de ontberingen van oorlog en evacuatie – voor menigeen een feest er in te wonen. Jan Kwekkeboom uit Middelburg, destijds een dertienjarig jongetje, herinnert zich het noodboerderijtje bij Schellach – precies op de plek waar nu een fietstunnel ligt – welhaast als een paradijselijk oord. „We vonden het prachtig. De woning was veel luxer dan we gewend waren: een woonkamer, vier slaapkamers, een keukentje met aanrecht, en een wc binnenshuis – dat kenden we allemaal niet.”
Ook Nel Polderman-Geschiere uit Meliskerke (toen vijftien jaar) heeft goede herinneringen aan haar tijd in de noodboerderij op Charlottenburg.
 
  „De bouw ging tamelijk snel. Ik vond het wel leuk. Er was voldoende ruimte: slaapkamers, een keuken, een schuurtje. In de schuur stonden een paar koeien.”
Al met al moeten in de eerste twee jaren na de oorlog op Walcheren 193 van die noodwoningen, en 144 stallen, zijn gebouwd. Her en der op Walcheren zijn daar nog voorbeelden van te zien, vaak verbouwd, maar nog wel herkenbaar: van die kleine rode schuren met steunberen aan de zijkant, of voormalige woninkjes met een tekentafeldak, nu afgedekt met golfplaten of pannen, destijds met asfaltpapier.
Bron: Zeeland geboekt [ bespreking van: Frans Rothuizen, Wim Sanderse, Jan van Damme: Noodboerderijen op Walcheren 1946-2014]

De plattegronden waren gebaseerd op een eenvoudig schema met tal van variaties, afhankelijk van de veestapel en de gezinssamenstelling. Op de kop van de stal was een laag varkenshok, vervolgens was er een hogere paardenstal, dan een maalvloer, en de rest van de schuur was voor de koeien en het jongvee. Meestal was in het verlengde van de schuur de woning aangebouwd met dezelfde nokhoogte als de schuur. Bijzondere kenmerken waren o.a.: gevels in rode steen gemetseld; waar nodig ter versterking gemetselde steunberen; witte kozijnen met ramen in de woningen, zwarte deuren zonder kozijnen in de stallen.

Bron: De Wete, april 2001



Inrichting
In de woning of de schuur werden betonvloeren tussen de gemetselde wanden rechtstreeks op de grond aangebracht. De binnenmuren in de woning en de schuur werden uitgevoerd in halfsteens metselwerk. De wanden in de woning en meestal ook in de schuur werden gepleisterd en in de woning afgewerkt met muurverf. De afwerking in de woning was sober. Eenvoudige geschilderde triplex paneeldeuren werden afgehangen in kozijnen die soms van planken waren gemaakt. Rondom de kozijnen was een houten aftimmering met houten vensterbanken. In de keuken stond een eenvoudig tafeltje met onderkastjes, een soort aanrechtje, wat schappen aan de muur en een wasemkap boven de kachel waarop gekookt werd.In de woonkamer, grenzend aan de keuken, kon ook gestookt worden. De stookkanalen mondden uit in de gemetselde schoorsteen die boven het dak uitkwam. De schoorsteenmantel werd in een groot aantal gevallen uitgevoerd als 'schoon metselwerk', dat wil zeggen dat de metselsteen niet werd gepleisterd. Men gebruikte hier nieuwe stenen voor met een wat terugliggende voeg. De schoorsteenmantel valt op door zijn enigszins moderne vorm die in een bungalow van rond 1970 niet zou misstaan. De wc was soms van buitenaf bereikbaar, maar ook wel vanuit de keuken of de aan de keuken grenzende schuur. Waterspoeling was er niet zodat men genoegen moest nemen met de bekende plank met het ronde gat en de emmer daaronder. De woningen waren veelal niet aangesloten op de voorzieningen van de nutsbedrijven.
Regenwater voor consumptie werd zo goed mogelijk opgevangen in regenputten die eerst moesten worden ontzout. Als het drinkwater opraakte was men genoodzaakt het van elders te halen. Een oud-bewoner zegt: "We gingen om de dag met paard en wagen naar het dorp om water te halen bij het gemeentehuis, we hadden een oud wijnvat op de wagen gebonden en zo haalden we water." Het afvalwater liet men weglopen naar een sloot, de toiletemmer werd geleegd op de mestput en men maakte gebruik van petroleum voor verlichting.
Bron: Noodboerderijen op Walcheren


Noodboerderij bij Veere
Hier stond ooit de mooie grote boerderij van de familie Besuyen. In 1944 zijn de Walcherse dijken op een aantal plaatsen gebombardeerd door de geallieerden, waardoor Walcheren voor een deel onder water is komen te staan. Bewoners moesten vluchten. De oorspronkelijke boerderijen werden grotendeels verwoest en de regering bood de mensen tijdelijk kleine noodboerderijen aan om in te wonen. Daar zijn er niet veel meer van over.  Deze noodboerderij was een aantal jaren als museum ingericht in de oorspronkelijke staat. Inmiddels is het door de eiegenaar, stichting Arduin te Middelburg, gesloten.

boerennoodwoning1 boerennoodwoning2

Het heeft langer dan een jaar geduurd voor de dijkgaten weer gesloten werden en het water kon worden weggepompt, zodat de mensen terug konden komen. Wat ze toen aantroffen was een onbeschrijfelijke chaos. De grote boerderij weg, schuur beschadigd, spullen verloren! Het eerste wat ze nodig hadden was een dak boven hun hoofd. Daarom heeft de regering destijds huisjes laten bouwen waar de mensen tijdelijk konden wonen, totdat er een nieuwe boerderij zou zijn gebouwd. Zo is dat ook hier gebeurd. De schuur kon wel worden hersteld, zodat de dieren weer op stal konden, maar voor de mensen werd dus eerst een noodwoning gebouwd. Dit is het huidige “Minimuseum Het Veerse gat”. De noodboerderijen waren eenvoudig, maar alles wat noodzakelijk is, was er: woonkamer, keukentje, slaapkamertjes, net groot genoeg voor het hele gezin, maar zeer primitief. Langer dan een jaar hadden de bewoners bij vreemde mensen gewoond die ook ruimte hadden moeten maken voor een extra gezin. Nu waren ze weer thuis en staken ze hun benen weer onder hun eigen tafel.
In totaal zijn er in die periode op Walcheren meer dan 300 noodwoningen gebouwd. Ze zijn bijna allemaal verdwenen of verbouwd tot kippenhok of iets dergelijks.

 

Sloop noodboerderijen
De noodboerderijen moesten in principe worden afgebroken wanneer een nieuwe wederopbouwboerderij werd betrokken – dat kon enkele jaren duren, maar in sommige gevallen ook aanlopen tot in de vroege jaren zestig. Dat ze in weerwil van de grote woningnood toch gesloopt moesten worden, werd bepaald omdat de noodboerderijen veel onderhoud zouden vergen en toch op termijn voor sloop in aanmerking kwamen. Al in 1951 werd gesteld dat de noodboerderijen begonnen af te takelen. ‘Men trekt het bovendien in twijfel of men voor alle noodboerderijen wel bewoners zou vinden; de meeste panden zijn niet alleen onvolwaardig en van alle gemakken gespeend, maar liggen bovendien zeer afgelegen.’ Bovendien vonden de betrokken instanties dat de eigenaar, het Rijk, niet de taak van woningexploitant op zich zou moeten nemen. In 1954 werd gemeld dat ‘de meeste’ Walcherse noodboerderijen waren opgeruimd. Sommige noodboerderijen mochten blijven staan, mits men er klimop op liet groeien. Restanten van enkele noodschuren zijn opgenomen in een later gebouwde schuur, andere noodschuren of noodwoningen deden voortaan dienst als kippenhok, garag, opslagruimte of zomerverblijf. Rond 2000 waren er nog zo’n dertig (restanten van) noodboerderijen op Walcheren over. Nog geheel intact is de grote noodboerderij aan de Strandweg te Koudekerke, die verbouwd is tot recreatieverblijf en een aan de Langendam in Zoutelande. Verder zijn er nog gebouwen als zodanig te herkennen onder meer aan de Leliëndaalseweg te Sint Laurens, aan de Kluithoekweg tussen Biggekerke en Grijpskerke en aan de Veerseweg onder Veere.
Bron: Encyclopedie van Zeeland
Lees ook dit bericht van OmroepZeeland (2 mei 2017)


noodboerderij 1Noodschuur in Biggekerke

Middelburg Cleene Hoogeweg 1 Noodstalling
Noodstalling Cleene-Hoogeweg1, Middelburg
noodboerderij 2

De boerderij "Hof aan Zee" (foto rechts) - Dishoek - is eigenlijk maar een vreemd beeld in het Zeeuwse landschap. Het is geen typische Zeeuwse boerderij. Deze lage uitgestrekte boerderij in de vorm van een hof met z'n rieten dak, vertelt dan ook een bijzonder verhaal. Hof Aan Zee is een noodboerderij van vlak na de Tweede Wereldoorlog. Destijds werden in Zeeland een aantal van deze (tijdelijke) boerderijen gebouwd met Scandinavische steun, maar ook naar Scandinavisch model om de landbouw zo vlug mogelijk weer op gang te brengen. In de loop der jaren zijn helaas bijna alle noodboerderijen verdwenen. Het idee was dat - wanneer de voedselproductie in Nederland weer op gang zou zijn gekomen - de noodboerderijen vervangen zouden worden door permanente (boeren) woningen. Dit is voor het overgrote deel ook zo verlopen. Behalve voor Hof aan Zee. Dit is de enige noodboerderij van dit formaat die in Zeeland is overgebleven. Voor de Tweede Wereldoorlog stond op deze plaats een groot gemengd boerenbedrijf van de familie Vos. De boerderij werd tegen het einde van de oorlog volledig verwoest door twee voltreffers van de Geallieerden. Volgens ooggetuigen was van de boerderij van de familie Vos niets meer over.

Bron: website Hof aan Zee

 

Terug hoofdpagina2