1945 Militair gezag

affiche MG2Het Militair Gezag was een orgaan van de Nederlandse regering. De bevoegdheden ervan waren vastgelegd in het uit september 1943 daterende Besluit Bijzondere Staat van Beleg. Het hoofd van het Militair Gezag(MG), de chef-staf, stond rechtstreeks onder de Minister van Oorlog. Tot de bevoegdheden van het MG hoorden vooral het opleggen van beperkende maatregelen aan de burgerij zolang nog een oorlogstoestand heerste en zolang de regering nog niet in staat was om de touwtjes in handen te nemen. Het MG moest ook de vertegenwoordiging en de verbinding van de Nederlandse regering met de geallieerde legerautoriteiten vormen, waartoe van die zijde Civil Affairs in het leven was geroepen. Meestal zaten MG en CA althans in Zeeland in hetzelfde pand. Het was de opzet van de Nederlandse regering geweest om het MG maar zo kort mogelijk te laten bestaan en om zo snel mogelijk na de bevrijding weer een gewone situatie te creëren, waarin geen plaats hoefde te zijn voor beperkingen voor de bevolking.
Maar de werkelijkheid had roet in het eten gegooid. Doordat de geallieerde legereenheden bij de grote rivieren waren blijven steken, bleef in het wel bevrijde deel van Nederland het Militair Gezag als vertegenwoordiging van de Nederlandse regering het hoogste gezagsorgaan. Deze situatie bracht de nodige conflicten met zich mee tussen de chef-staf, generaal mr. H.J. Kruls, en een groot aantal leden van het kabinet, die zich gefrusteerd voelden in hun wens hun gezag weer te doen gelden. Voor elke provincie was in de structuur van het Militair Gezag een Militair Commissaris bestemd, en voor Zeeland was dat Slot. Slot had geen enkele binding met deze provincie, en zal zijn benoeming te danken hebben gehad aan zijn achtergond als marineman. Hij had zich eind september 1944 voorlopig in het gemeentehuis van Axel gevestigd. Over personeel, vervoer of enige andere ondersteuning beschikte hij nauwelijks, al kreeg hij na enkele dagen gezelschap van kapitein P. de Bruijne en eerste luitenant J.C. Stouthamer, die respectievelijk in 1940 en 1943 uit Zeeland naar Engeland waren gevlucht. De komst en de functie van het Militair Gezag werden zowel door Slot zelf als door de geallieerde opperbevelhebber generaal Eisenhower en de Nederlandse regering in aanplakbiljetten bekendgemaakt.  Onder meer voor de leden en de leiding van de Ordedienst was het aantreden van deze nieuwe gezagsdragers, evenals de door hen verordende beperkingen, een onverwachte en vaak onaangename verrassing.

Bron: Zeeland 1940-1945


Het MG was optimistisch gestemd over zijn ontvangst in bevrijd gebied, maar dat was op weinig meer dan wishful thinking gebaseerd. affiche MGDe gebrekkige en tegenstrijdige informatie vanuit Londen droeg niet bij om in bezet gebied de bedoelingen én noodzaak van een militair bestuur duidelijk te maken. Mededelingen die verspreid over de tijd over de radio waren gedaan, waren te beperkt en zelfs verwarrend. Zij droegen weinig bij aan het wegnemen van de onvrede over de komst van een nieuw en onwelkom militair gezag, bemand door vaderlanders die de bezetting niet aan den lijve hadden meegemaakt. Staatshoofd en ministers spraken met verschillende tong en het eigenmachtige optreden van Koningin Wilhelmina droeg evenmin bij aan een goede informatievoorzienig.
Bron: Het 'Circus Kruls'(NIOD-2008)


De Binnenlandse Strijdkrachten
De drie grote landelijke verzetsorganisaties, Ordedienst (OD), Landelijke Knokploegen (LKP) en Raad vanVerzet (RVV), verzochten in augustus 1944 de regering in Londen  bij de geallieerden te pleiten voor de erkenning van de Nederlandse illegaliteit als geregelde strijdmacht. De regering in ballingschap stelde daarop een aantal eisen: verdere bundeling van het verzet en de aanvaarding van een eenhoofdige leiding in de persoon van prins Bernhard. De verzetsorganisaties gingen akkoord; op 5 september 1944 werden de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) opgericht. Een maand later, toen grote delen van het zuiden bevrijd waren, maakte prins Bernhard zijn Algemeene Instructie voor de Binnenlandse Strijdkrachten'bekend. Hierin werden de BS opgedeeld in Stoottroepen en Bewakingstroepen. Bij de Stoottroepen  konden vrijwilligers worden ingedeeld die bereid en geschikt waren gewapend aan de strijd tegen de bezetter deel te nemen. In de praktijk betekende dit dat vooral leden van de LKP hiervoor in aanmerking kwamen. De Bewakingstroepen bestonden vooral uit leden van de OD. Dit was niet verwonderlijk omdat deze voormalige militairen zich van meet af aan op deze taak hadden voorbereid.

bernhard wageningen Dagorder BS Mburg BSers

 

De animositeit tussen beide groepen deed de sfeer binnen de BS geen goed. De Stoottroepers beschouwdenzichzelf als de ware verzetsstrijders en spraken smalend over de OD'ers, die de bevrijding passief zouden hebben afgewacht. Reeds bij de oprichting van de BS stond vast dat hun bestaan tijdelijk zou zijn.De regering streefde er immers naar om nieuwe onderdelen binnen de Koninklijke Landmacht op te richten, die de taak van de BS konden overnemen. De eerste stap was het Oorlogsvrijwilligersbesluit van 1 oktober 1944. Op grond hiervan konden jongemannen als vrijwilliger dienst nemen in het Nederlandse leger tot drie of zes maanden na de bevrijding of als gewoon dienstplichtige. De toeloop in het bevrijde zuiden overtrof de -laaggestemde- verwachtingen in hoge mate.
Bron: Nederland en de Tweede Wereldoorlog, deel 45.


Voorbeeld van het functioneren van de ODGoes 1944 OD


VerhaalDe archiefstukken van de OD te Nieuwdorp zijn vrijwel volledig bewaard gebleven. Hierdoor kan een goede indruk worden verkregen van wat zich in de periode van eind oktober tot begin december 1944 bij de OD heeft afgespeeld.

 

 

 

 


Het bevrijde gebied gaf de aanblik van een land dat een ‘hard war’ had doorstaan, door de Duitsers genadeloos uitgebuit, die er in Nederland beter in waren geslaagd dan in Frankrijk en België om de industriële productie voor eigen doeleinden aan te wenden. Er was daardoor, anders dan in België, een groot tekort aan consumentengoederen en het aantal vrachtwagens dat voor civiele doeleinden kon worden ingezet was ‘virtually nil’, waardoor ook de postverbindingen stagneerden, terwijl de Duitsers een groot aantal telefooncentrales hadden vernield. Voor de geallieerde militair was ook duidelijk dat Nederlanders minder ervaring hadden met oorlog dan Fransen en Belgen en dat veel uitleg nodig was over maatregelen. Het Besluit bezettingsmaatregelen (E 93) was pas op 17 september 1944 vastgesteld en bevatte 61 door de Duitsers afgekondigde verordeningen, die werden beschouwd als nimmer van kracht te zijn geweest; 432 die buiten werking traden en 284 die voorlopig gehandhaafd bleven. De Jong merkt er in zijn Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog over op: ‘Geen eenvoudige materie!’ en verbindt er de conclusie aan dat als overheidsdienaren niet wisten waaraan zij zich hadden te houden, de burgerij dat zeker niet kon weten.
Bron: Het 'Circus Kruls'(NIOD-2008)


 Terug hoofdpagina2