1945 Mijnen opruimen

Nederland mijnen vrij
Ruim tweehonderd Duitse krijgsgevangenen en meer dan vijftig Nederlandse militairen komen na de oorlog om bij het ruimen van mijnen. Honderden raakten bij deze werkzaamheden gewond. Het inzetten van krijgsgevangenen bij levensgevaarlijk werk was eigenlijk tegen de regels. Daar hadden de autoriteiten iets op gevonden. De krijgsgevangenen werden 'ontwapende vijandelijke militairen' genoemd, en daarmee kon het internationale oorlogsrecht worden omzeild. In Nederland lagen namelijk na de oorlog naar schatting 1,8 miljoen mijnen verstopt in ruim 5500 mijnenvelden die snel geruimd moeten worden; voor een groot deel was de vindplaats bekend omdat er Duitse militaire kaarten beschikbaar waren waarop de mijnenvelden waren aangetekend.
De eenheden van de Brigade Dräger zijn over een groot aantal plaatsen in Nederland verspreid. Zo zijn er kampementen in Blerick, Mook, Vlissingen, Bergen op Zoom en Hoek van Holland. In het eerste jaar na de capitulatie zijn vooral in het zuiden veelvuldig mannen te zien die schouder aan schouder over het land lopen; lange rijen Duitse krijgsgevangenen die het land onderzoeken. Met mijnendetectors en ijzeren staven – prodders- tasten ze de bodem af. Overal langs de weg staan bordjes met ‘Mines’ en ‘Achtung Minen’ en ‘Road cleared only’ om aan te geven hoe ver de soldaten gevorderd zijn met het ruimen van de mijnen. Manfred Sobiella: “Als we met zo’n prikker staal raakten dan moesten we op de grond gaan liggen en met onze vingers de mijnen uitgraven. We moesten proberen de ontsteking eruit te halen. Dat was het gevaarlijkste.”
Bron: Andere Tijden.
U kunt de uitzending (30 minuten) hier bekijken.


Krijgsgevangenen
Samengebracht op de Dam in Middelburg, in nissenhutten die ze zelf moesten bouwen op het Molenwater, ook in Middelburg of op andere plekken op Walcheren, zoals op het strand bij Westkapelle.

 


Himmelfahrtkommando
Toen Walcheren in november 1944 was bevrijd, moest een gigantische hoeveelheid mijnen en ander oorlogstuig onschadelijk worden gemaakt. Aanvankelijk deden Engelse militairen (the Royal Engineers) dat, waarbij ze geholpen werden door burgervrijwilligers. Hun taak beperkte zich tot het ruimen van mijnen in enkele dijken en wegen voor zover die van strategisch belang waren. Het was echter duidelijk dat op Walcheren, na de drooglegging, een enorme klus wachtte. Daarbij kwam nog dat allerlei andere gebieden in Nederland de aandacht vroegen, terwijl deskundigen en benodigde middelen ontbraken. Bij de capitulatie van de Duitse troepen in mei 1945 te Wageningen werd bepaald dat Duitse gevangenen konden worden ingezet bij het ruimen van mijnenvelden, een vroege variant op het principe “de vervuiler betaalt”.
Behalve legereenheden (pioniers) werden ook manschappen van de marine naar Walcheren gestuurd. Zij moesten havens en stranden van oorlogstuig zuiveren. Bij die marinemannen zaten duikers, springstofspecialisten en een vuurwerker voor het opruimen van bommen. De krijgsgevangenen waren afkomstig uit heel Duitsland, maar inwoners van de Sovjetzone waren oververtegenwoordigd. Die verkozen vermoedelijk gevangenschap op Walcheren boven terugkeer naar de Heimat, bang als zij waren om in Russische handen te vallen. Op grond van de Conventie van Genève was het verboden om krijgsgevangenen mijnen te laten ruimen anders dan op basis van vrijwilligheid. Na de capitulatie van Duitsland kregen Duitse militairen van de Amerikanen en de Engelsen echter de DEF-status (= Disarmed Enemy Forces, ontwapende vijandelijke strijdkrachten). In strikt formele zin waren ze daardoor geen krijgsgevangenen meer en konden ze tot het ruimen van mijnen worden verplicht. Tijdens de oorlog was Walcheren door de Wehrmacht rijkelijk van mijnenvelden voorzien.
Bron: Heemkundige Kring Walcheren
Artikel gepubliceerd in De Wete, oktober 2003. Auteur Jules Braat

Lees het volledige artikel (pdf)


Mijnen vegen op de Westerschelde

Mijnenvegen ScheldemondingAl op 26 november 1944 arriveerden drie geallieerde kustvaarders vanuit Engeland in Antwerpen. Twee dagen later liep het eerste geallieerde konvooi, T.A.C. 58A, bestaande uit achttien zeeschepen, Antwerpen binnen. Op 7 december vertrokken de laatste geallieerde mijnenvegers uit het Scheldegebied. Ondanks het feit dat de gehele Schelde mijnenvrij was verklaard, liepen in december 1944 nog negen schepen in dit gebied op mijnen en een aantal daarvan ging verloren. Dit kwam door het feit dat de Duitsers na 26 november 1944 nog herhaaldelijk met behulp van vliegtuigen en Schnellboote mijnen legden en door het feit dat er toch nog mijnen waren blijven liggen. In de haven van Antwerpen liep de Belgische sleepboot Orion op een mijn. Op 3 december kwam het Amerikaanse vrachtschip Francis Ashbury in aanvaring met een mijn en vier dagen later overkwam het Britse koopvaardijschip Samsip hetzelfde. Op 11 december ging HMS MMS 257 verloren na een aanvaring met een mijn en op 15 december onderging het Britse vrachtschip Fort Maisonneuve hetzelfde lot. De volgende dag liep de Britse tanker RFA (Royal Fleet Auxiliary) War Diwan, die deel uitmaakte van konvooi T.A.M. 19, op een mijn tussen de boeien NF 15 en NF 17 en brak doormidden. Twee dagen later werd het Amerikaanse schip Steel Traveller slachtoffer van een dergelijk explosief op de Westerschelde. De dag voor Kerstmis 1944 liep het Britse schip Empire Path op een mijn en op eerste kerstdag werd het Britse fregat HMS Dakins (K550) slachtoffer van een mijn in de Noordzee op ongeveer veertien mijl ten noorden van Oostende. Het oorlogsschip liep grote schade op, maar kon toch nog veilig thuishaven Harwich bereiken.


Mijnenveegacties
mijnopruiming 1944De meest directe en zichtbare bijdrage die de Koninklijke Marine leverde aan de bevrijding van Nederland, was de deelname aan de mijnenveegacties op de Schelde in de tweede helft van 1944. Drie dagen nadat Oostende was veroverd, vertrokken een Brits en een Nederlands flottielje mijnenvegers uit Harwich. De beide flottieljes stonden onder bevel van Captain T. Marsh van de Royal Navy. De Nederlandse eenheden waren de motormijnenvegers van de Ameland-klasse Hr. Ms. Putten, Hr. Ms. Beveland, Hr. Ms. Terschelling (II), Hr. Ms. Texel (II) en Hr. Ms. Ameland. Op donderdag 14 september werd met vegen aangevangen bij Oostende richting de Scheldemond. Het mijnenvrij maken van de Belgische kustwateren werd bemoeilijkt door een zware storm, maar de stormschade die de geallieerde mijnenvegers opliepen was niet van ernstige aard. Op 19 september liep HMS ML 216 op een mijn en werd ernstig beschadigd. Op 28 september werden vier van de vijf Nederlandse mijnenvegers afgelost door de Ameland-klasse motormijnenveger Hr. Ms. Rozenburg en de motormijnenvegers van de Duiveland-klasse Hr. Ms. Duiveland, Hr. Ms. Schokland en Hr. Ms. Walcheren. De Duiveland-klasse motormijnenvegers waren eveneens in Groot-Brittannië aangekochte houten mijnenvegers, maar dan van het zogenaamde 105 voet type. In totaal werden er dertien grondmijnen door de Nederlandse mijnenvegers geruimd voor de Belgische kust.
Lees het gehele artikel op Go2War2

 

 

Terug hoofdpagina2