1945 Hongerwinter

hulp 1944hulp 1945De circa zes maanden waarin het grootste deel van Zeeland met de rest van het bevrijde gebied in afwachting was van het einde van de oorlog en van de bevrijding van de rest van het land, vormden een periode van overgang. Op veel gebieden waren nog slechts voorlopige maatregelen mogelijk en men had zich tot provisorische herstellingen moeten beperken omdat het aan materiaal, geld en mankracht ontbrak. Tegelijkertijd was in veel opzichten de situatie verbeterd. Dit gold onder meer voor de voedselvoorziening. Het duidelijkst blijkt dit uit het convooi vrachtwagens dat op 17 mei uit Middelburg naar het hongerende Amsterdam vertrok om daar als geschenk van de Zeeuwse bevolking zo'n 58 ton aan voedsel te brengen. De maanden daarvoor was hiertoe in het kader van de zogeheten 'Zeeuwse Hulp voor boven de rivieren' in alle bevrijde streken van de provincie gecollecteerd, waarbij in totaal ongeveer fl. 300.000 was opgehaald. Het transport bevatte onder meer 20.000 broden, 25 ton aardappelen, havermout, boter en melk. De daaropvolgende weken zouden nog vier van dergelijke transporten volgen, waarvan het laatste op 20 juni.

Bron: Zeeland 1940-1945

 

De bevolking in het frontgebied leefde maandenlang vrijwel geheel geisoleerd van het nog bezette deel van Nederland; twee volledig verschillende werelden. Verhalen over honger en terreur kwamen soms wat onwerkelijk over. Zelfs wie familie in het zwaar getroffen westen had, stelde zich vaak wat apathisch op en berustte in de gedachte dat er toch niets aan te doen was zolang de militaire situatie ongewijzigd bleef . Vanuit Londen werd getracht meer solidariteit tussen zuid en noord te bewerkstelligen. Zo verschenen er positief getinte verhalen in het Londense Vrij Nederland van 24 maart 1945 en werd het Nationaal Fonds opgericht. De acties hadden het gewenste resultaat. Langzaam maar zeker begon men in het zuiden te beseffen dat de eigen problemen niet in de schaduw konden staan van die van de hongerende landgenoten boven de grote rivieren.
Bron: Nederland en de Tweede Wereldoorlog, afl. 45

 

Hongerwinter

De zwarte prijzen zijn natuurlijk omhoog gevlogen, maar meestal is het zoo, dat zelfs al zou men ze willen betalen, de betreffende artikelen toch niet zijn te krijgen. Ter vergelijking hier enkele prijzen van half Januari tegenover die van begin Februari:
een brood f 20.- tegen f 40.- p. st.
tarwe  f 22.50 tegen f 50.- p. kg
Consisigaretten  f 40.- tegen  f 55.- p.p.
raapolie f 80.- tegen f 125.- p. l.
erwten f 8.- tegen f 25.- p. kg
Vergelijkt men de situatie hier met die van het bewijde gebied - de zender ,,Herrijzend Nederland" gaf onlangs de rantsoenen, die daar gelden, waarvan ik alleen noem 2400 gam brood en 3,5 kg aardappelen per week - dan is het verschil wel treffend.

Bron: Op leven en dood (1946)

 

Zweeds wittebrood

zweeds wittebrood 01zweeds wittebrood 02De winter van 1944-1945 staat bekend als de hongerwinter. In het westelijk deel van Nederland was een tekort aan voedsel en brandstof als gevolg van Duitse blokkades. De blokkades duurde zes weken en kostte aan circa twintigduizend Nederlanders het leven. Vanuit het buitenland kwam er hulp om het nood te ledigen. Op 28 januari 1945 meerde de eerste schepen van het Zweedse Rode Kruis met voedsel aan.
De Zweden stuurden drie schepen – de Noreg, de Dagmar Bratt en de Hallaren – met zo’n 11.400 ton aan voedsel. De eerste twee schepen kwamen op 28 januari 1945 aan in de haven van Delfzijl. Elk schip had ongeveer 3.700 ton voedsel bij zit. De Hallaren arriveerde later in Nederland met 4.000 ton. Van het meel werd het Zweeds wittebrood gebakken.De bevolking in het getroffen gebied kreeg het Zweeds wittebrood en een pakje margarine. Het was voor het eerst sinds jaren dat men weer echt brood kon eten. Tijdens de oorlogsjaren moesten bakkers noodgedwongen aardappelmeel gebruiken voor het brood.

 

Het is een droevig gezicht op straat de menschen en - vooral - de kinderen gade te slaan, wien de honger op het gezicht staat geschreven. Tallooze malen ziet men - hetzij in de queues van voor de winkels wachtenden, hetzij zoo maar langs den weg -. mensehen in elkaar zakken van uitputting door honger en koude. Dit bleef na vier en een half jaar bezetting oveÍ van ons eens zoo gezonde en welvarende volk.
Tijdens de vorstperiode is het broodrantsoen tot 500 gram verlaagd. Bij verschillende bakkers was zelfs dat beetje niet op de bonnen te krijgen, Daarnaast 1 kg aardappelen en dan heeft men in groote trekken het weekrantsoen van den gemiddelden Hollander. Tenzij hij zoo gelukkig is wat suikerbieten te bemachtigen, die op het oogenblik opgeld doen, maar die weer het nadeel hebben dat hun verwerking een vrij groote hoeveelheid. brandstof vraagt.
Bron: Op leven en dood (1946)

 

Zeeland

Op het terrein van de voedselvoorziening bleek de toestand althans in de ogen van de overheid echter alleszins mee te vallen. Tijdens een vergadering in Oisterwijk op 1 december met een deel van het Nederlandse kabinet noemde de Commissaris der Koningin in Zeeland de voedselsituatie in zijn provincie 'niet onrustbarend', terwijl tegeiijkertijd in het westen van Brabant, maar ook elders in het bevrijde zuiden, de toestand in dit opzicht aanzienlijk slechter bleek te zijn. Ook de meteen na de bevrijding in Goes teruggekeerde Provinciaal Voedselcommissaris, ir. J.D. Dorst, bleek niet ontevreden toen hij op 8 december in de kranten bekend liet maken dat de die week op bonnen verkrijgbare levensmiddelen voldeden 'aan de minimum eischen, welke gedurende de oorlogsjaren in Nederland werden gesteld t.a.v. de calorieënwaarde' . Daarmee reageerde hij overigens op in het openbaar geuite klachten over het beschikbare voedsel.

De Nederlandse overheid had voorraden aangelegd waaruit men had kunnen putten en waardoor tarwe - en daarmee brood -, aardappelen, wortelen en uien meestal in voldoende hoeveelheden aanwezig waren. Hier en daar, onder meer in Middelburg en Vlissingen, konden door het Duitse leger achtergelaten voorraden worden aangesproken.

 
  Een Middelburgse huisvrouw toonde zich, eind januari 1945, redelijk tevreden. Het was er dan wel, Ietterlijk en figuurlijk, geen vetpot, maar 'wij hebben nu zelfs meer brood dan vroeger, en nog iedere week een ons vleesch; wij krijgen nu ook koffie, en in de plaats van 1¾ liter taptemelk krijgen we een busje gecondenseerde melk. Groenten zijn wel heel schaars, wortels, uien, bieten en rapen, dat is het menu.' Nadat de Westerschelde mijnenvrij was gemaakt konden steeds vaker levensmiddelen uit Engeland worden aangevoerd.

Net als tijdens de bezetting hadden de landbouwers het vaak beter dan de rest van de bevolking. Op Walcheren kon bij voorbeeld de oogst die uit onder water staande schuren was gehaald nog verwerkt worden en moest vrij veel vee bij gebrek aan stalruimte en veevoeder geslacht worden, waardoor vooral in de dorpen het calorieverbruik veel hoger was dan officieel aangegeven. Doordat bovendien niet elk product overal in even grote mate voorhanden was en de moeizame verbindingen beletten dat snel een evenwichtige distributie tot stand werd gebracht, werd aanvankelijk in elke streek met aparte bonnenlijsten gewerkt. Oost Zeeuwsch-Vlaanderen bleef zelfs een aantal maanden achtereen een onafhankelijke positie innemen en direct uit Antwerpen voedsel ontvangen.



winter 44 45            Voedseldroppings               

"Zoo was Nederland in de winter 1944-1945" is in 1945 door 'Vens' in Utrecht uitgegeven en bestaat uit 18 losse prenten naar aquarellen van schilder Augustinus Gerardus van der Linde (1890-1983)


Regelmatig kon men in de kranten terechtwijzingen lezen jegens diegenen die klaagden over biscuit zonder suiker en te weinig chocola, boter en ook sigaretten of benzine, en hoewel het als a-sociaal gedrag aan de kaak werd gesteld. tierden smokkel en zwarthandel als gevolg van de heersende tekorten - niet alleen op het gebied van het voedsel - welig. Vooral in Vlissingen heerste nogal wat onvrede. De aanvoer van allerlei produkten bleef in deze stad, die in korte tijd een sterke groei van het inwonertal kende - van 3000 ten tijde van de bevrijding naar ruim 10.000 twee maanden later -, problematisch. Men voelde zich achtergesteld ten opzichte van de rest van Walcheren, en met name in vergelijking met Middelburg. 'Meer Vet' en 'Geef ons Eten' waren de leuzen waarmee nog op 15 mei arbeiders van De Schelde de straat op waren gegaan. nadat zij drie maanden eerder uit protest tegen de slechte levensmiddelenvoorziening het werk op de werf ook al hadden onderbroken.

In Zeeland kampte men niet zozeer met een ernstig gebrek aan levensmiddelen, als wel met een groot tekort aan kleding en schoeisel. Veel hiervan was bij de verwoestingen tijdens de militaire strijd verloren gegaan. Er waren bovendien nog steeds te weinig klompen - een tekort dat al tijdens de bezetting was ontstaan - en te weinig rubberlaarzen. hetgeen vooral in dit ondergelopen gebied een probleem was; een enkele keer werd ook het gebrek aan 'Walchersche dracht' bezwaarlijk genoemd. Soms werd de nood enigszins verlicht door zendingen van onder meer het Britse leger, dat bij voorbeeld in maart 1945 in totaal 116 pakketten kleding naar Hulst zond, alsmede 362 pakketten meisjes- en jongensschoenen en 6640 damesslipjes."
Tijdens de winter van'44-'45 was vooral het gebrek aan warme kleren nijpend omdat er tegelijkertijd een groot tekort aan brandstof bestond. Er waren wel kolenvoorraden, maar die slonken snel doordat de aanvoer uit de Limburgse mijnen stagneerde, hetgeen deels te wijten was aan het Ardennenoffensief, waardoor toevoer via België verhinderd werd, deels aan het gebrek aan transportmiddelen en deels doordat veel verbindingen, spoorlijnen zowel als kanalen, ten gevolge van vernielingen gestremd waren.

Bron: Zeeland 1940-1945


 Voedselberichten uit Koudekerke

Drinkwater kan een groot probleem zijn op een eiland in zee. Vanuit het waterwingebied in de duinen bij Valkenisse werd aangeboden dagelijks 3.000 liter te leveren. Burgemeester Dregmans wees dit begin december beleefd van de hand omdat ontdekt was dat de waterbunker (bunkertype 198) in de dagelijkse behoefte van het dorp ruim kon voorzien. Met de twee hier aanwezige Nortonpompen kon eenvoudig het water opgepompt worden en de vier bassins hadden een opslagcapaciteit van 20.000 liter. Hiermee was de drinkwatervoorziening voor Koudekerke gegarandeerd. Tevens werd dankbaar gebruik gemaakt van de zes achtergelaten 1.700 liter drinkwatertanks.Eén hiervan stond bij Krijn Verhage op zijn boerenwagen en zo bracht hij dagelijks drinkwater van de bunker naar de dorpskern. Met deze tanks kon zelfs het drinkwater gegarandeerd worden op afgelegen boerderijen. Ook op het Dorpsplein stond vanaf januari zo'n 1.700 liter tank waaruit ieder naar behoefte water kon halen. Er was wel een dringend verzoek gedaan aan de bevolking het water voor het nuttigen te koken. Er waren 28 regenbakken van de Duitsers in gebruik genomen. De aanwezigheid van de waterbunker maakte dat de drinkwatervoorziening op Koudekerke vergeleken met de andere dorpeilanden op Walcheren probleemloos verliep.

Vis vangen
De kat inspireerde Richard Dekker, die eveneens aan de Vlissingsestraat woonde, tot een bijzondere wijze van vissen: 'Onze poes vulde onze proviandvoorraad regelmatíg aan met platvissen, die zíj met laagwater uit de sliklaag in de benedenachterkamer ving. Zij bracht ze altijd mee naar boven, waar we ze "broederlijk" met haar deelde. Haar manier van doen bracht ons op het idee zelf ook ter visvangst te gaan, wat we op de volgende wijze realiseerden. We zetten bij opkomend water de tuíndeuren op een zodanige kier , dat de vissen konden binnen zwemmen en sloten deze weer toen het water afging. Het werkte uitstekend. Je had er soms wel 3 of 4 per dag.'  Bron: rapportages van burgemeester Dregmans

 

Voorraden
11 januari 1945 was de volgende voorraad afkomstig uit de Duitse bunker, opgeslagen in de kerk:
8.000 kg. scheepsbeschuit, 800 pakjes soep, 200 kg. koffiesurrogaat, 230 kg. rijst, 310 kg. gort, 700 busjes leverpastei, 450 bussen vlees, 800 bussen erwtensoep, 500 bussen reuzel, 700 bussen gort met vet, 2.610 blikken met groenten, 5 bussen augurken, 100 bussen diversen, 350 dekens, 70 paar schoenen, 80 ledikanten, 15 bedden, 4 fietsen, stoelen, tafels, zwemvesten, gasmaskers, kachels, stenen schalen. Daarbij waren nog gevonden één aanhangwagentje en twee vrachtwagens. Tevens waren uit de bunkers 1.300 pakjes shampoo en 550 stukken zeep gehaald.

Ook de geallieerden droegen aan de voedselvoorraad, eveneens onbedoeld, een steentje aan bij. Op 28 november 1944 bereikte het eerste geallieerde konvooi de haven van Antwerpen. De Westerschelde bleef, ondanks het ruimen van de zeemijnen, een gevaarlijk vaarwater. De Duitse marine voerde aanvallen uit met dwergonderzeeboten en legde opnieuw zeemijnen. Dit veroorzaakte schipbreuken met de nodige aanspoelingen op het strand. Zo spoelden op 23 december, net voor Kerstmis, alleen al op het strand van de gemeente Koudekerke ongeveer 1.500 vijftig-kilo balen Amerikaanse bloem aan. Door het meel had iedereen op het dorp tijdens de Kerstdagen van 1944 volop witbrood te eten. 'We kregen díe Zaterdag voor Kerstdag prachtig wittebrood, en nog wel dubbel rantsoen op de bonnen. Ook kregen we voor het eerst chocolade en blikjes vlees zodat we het goed hadden.’

Bron: Koudekerke in de Tweede Wereldoorlog



Oversterfte in de periode september 1944 - mei 1945

Raadpleeg de (interactieve) kaart.


Terug hoofdpagina2