1945 Evacuatie

Kort nadat Walcheren was bevrijd kwamen de geallieerde autoriteiten en de Nederlandse autoriteiten in gezamenlijk overleg tot de conclusie dat de situatie op het eiland onhoudbaar was en de risico's voor de bevolking te groot. De mensen zaten overal te dicht op elkaar, hetgeen een gevaar voor de volksgezondheid betekende, terwijl bovendien verwacht mocht worden dat binnen niet al te lange tijd een ernstig tekort aan voedsel zou ontstaan. Evacuatie van een deel van de bevolking werd daarom noodzakelijk geacht - aan Britse zijde werd zelfs de totale evacuatie van het eiland overwogen. Het Militair Gezag kreeg hierbij de algemene leiding en de organisatie in handen. Afgesproken werd dat van het platteland van Walcheren circa zesduizend personen en uit de stad Middelburg 1650 personen zouden worden geëvacueerd. Tegelijkertijd zouden drieduizend Vlissingers naar hun woonplaats moeten terugkeren in verband met daar noodzakelijke werkzaamheden - de Scheldewerf kreeg bij voorbeeld tal van Britse marineschepen te repareren.
Op 19 november, nog geen twee weken na de bevrijding van Middelburg, had Slot het bevel tot evacuatie doen uitgaan; een dag later werd er een begin mee gemaakt. De 164 achtergebleven bewoners van Ritthem waren het eerst aan de  beurt, de
 
gedeeltelijke evacuatie van de andere dorpen op het eiland volgde de daaropvolgende weken. Uit de dorpen die in het midden van het eiland waren gelegen gebeurde dat met grote reddingboten die door een platboomde motorboot van de marine werden voortgetrokken. De bewoners van de dorpen in het noorden en noord-westen van Walcheren werden in Dukws weggevoerd. De tocht voerde dan door het Veerse dijkgat, waarbij de schepen soms onder vuur van het Duitse geschut op Schouwen kwamen te liggen, via Veere naar Middelburg, waar zij, net als hun lotgenoten uit de overige delen van Walcheren, in de als opvangcentrum ingerichte ambachtsschool werden ondergebracht. De volgende dag werden de evacués dan meestal over de Sloedam naar Zuid-Beveland vervoerd.
Op 10 januari 1945 werd de evacuatie als voltooid beschouwd. Bij elkaar waren de weken daarvoor 6603 mensen geëvacueerd, zo'n duizend minder dan de bedoeling was geweest: 2280 uít de noordelijke dorpen, 3574 uit de overige dorpen en nog eens 749 personen die al in Middelburg verbleven. In de kleine dorpen op midden-Walcheren was maar een betrekkelijk klein deel van de bewoners achtergebleven.
Bron: Zeeland 1940-1945



Gedwongen evacuatie uit Walcheren
Op zondag 26 november mengen de predikanten van alle Middelburgse kerken zich vanaÍ de kansel in de discussie over het bevel tot evacuatie. Ze verklaren mee te voelen met de mensen die er tegenop zien om naar een volslagen vreemde omgeving te gaan waar men grotendeels van andere mensen afhankelijk is en waarvan ze maar moeten afwachten hoe dat bevalt. De predikanten geven het tot evacuatie bevolen deel van de Walcherse bevolking de raad het bevel van het Militair Gezag stipt op te volgen. 'Bedenk onder al deze tegenspoed dat geen enkel schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods'.
De wijze waarop de evacuees worden ondergebracht verschilt van dorp tot dorp. Er zijn plekken waar de zaken letterlijk in een vloek en een zucht worden afgehandeld. Er raken ook gevallen bekend van vooraanstaande dorpelingen die proberen van de lijst voor opneming af te komen. Op andere plaatsen wordt er duidelijk rekening mee gehouden wie waar wordt gehuisvest. Een bakker bij een bakker, een fietsenmaker bij een fietsenmaker, een landbouwer bij voorkeur op een boerderij. En het liefst families van dezelfde godsdienstige gezindheid bij elkaar om de kans op theologische strubbelingen te voorkomen. Een bewoner van de Stationsstraat in Middelburg ergert zich aan het feit dat een beruchte NSB-familie nog steeds aan de overkant van de straat woont, weliswaar samen met evacuees. Het is schrijnend en onrechtvaardig dat dit soort mensen maar rustig in Middelburg kan blijven wonen, terwijl ettelijke goede land- en stadgenoten zijn of worden geëvacueerd'.
Bron: De dag dat de generaal huilde

Vrijwel niemand wilde weg. De meeste eilandbewoners hadden weinig oog voor het gevaar van hoge vloeden of van ijs. Men wist wel dat goed drinkwater voor mensen en vee een probleem was en dat wat de hygiëne betrof de situatie slecht was. Het zeewater was smerig en stonk. Allerlei soorten afval dreven erin rond, onder andere kadavers van dieren en stukken mesthoop. De nog droge wc's werden intensief gebruikt; de meeste loosden direct op het water. De droge stukken land waren een toevluchtsoord voor ongedierte: ratten, muizen, luizen en vlooien vormden een ware plaag. De mensen woonden te dicht op elkaar en ze hadden te weinig waswater en nauwelijks zeep of schoonmaakmiddelen. Veel mensen leden aan buikloop; wonden raakten snel ontstoken en genazen moeilijk. Maar ondanks de benarde omstandigheden heerste er op het eiland, zoals overal in pas bevrijde gebieden, een soort zorgeloosheid: we hebben het aardig gered, het loopt nu en zo willen we verder; we zijn bevrijd, geen veranderingen meer. De woonproblemen, zo vond men, waren inmiddels min of meer opgelost, eten was er nog genoeg en met het water, zoet en zout, regelde men het wel.
Op 10 januari 1945 was de evacuatie voltooid. In totaal had Civil Affairs ruim 6.600 Walchenaren naar Zuid-Beveland gebracht. De opvang daar liep nogal uiteen. Een deel van de evacués kreeg een hartelijke ontvangst, maar anderen werden behandeld als een minder soort mensen. Sommige Zuid-Bevelanders achtten zich niet verplicht te helpen: "Wij hebben Walcheren toch niet onder water gezet?" Na enige tijd waren de meeste problemen wel opgelost, maar niet alle. Een deel van de Walchenaren wilde maar één ding: zo snel mogelijk terug naar het eigen dorp. Dat mocht zelden.
Bron: Eilandbewoners

 

Ritthem
,,Maandag 23 October (1944): Meer dan 3 kwartier lang hebben tal van bommenwerpers en jagers de zuidkust van Walcheren (Vlissingen en omgeving) weer onder vuur genomen. Geweldig waren de trillingen door de uitgeworpen bommen. (…) Uw moeder en ik stonden in de gang te beven. ‘s Avonds hoorden we nog ontploffingen van tijdbommen.”

,,Zaterdag 2 december: Vandaag is het 2 maanden geleden dat wij Boszicht hebben verlaten. Wat is er in die tijd veel gebeurd. Wij wensen dat het 2 maanden verder was dan is het Februari en naar wij hopen de winter voorbij en wellicht dicht bij de vrede. Vanmiddag heb ik weer een uur in de rij gestaan in de kou om een halve kilo rundvlees voor 70 cent van de noodslachting. Er stonden meer dan 200 personen.”

,,Zaterdag 30 december: De vorst is gelukkig zo goed als opgehouden. Enige dagen geleden was er 3 graden onder het vriespunt op ons kamertje. Hedenmorgen ontvingen wij reeds een Nieuwjaars brief van Henk. De brief was de onze juist gepasseerd. Van Zoutelande moeten voorlopig 250 personen evacueren. Daar Henk les geeft aan enige jongens van de H.B.S. en de U.L.O. meent hij voorlopig te kunnen blijven. De bewoners van Zoutelande hebben met de kerstdagen heerlijk wittebrood gegeten daar veel zakken bloem waren aangespoeld van een schip wat getorpedeerd was.”

[ De evacuatie van Ritthem oktober 1944 – juni 1945. Inundatie Ritthem-Walcheren. Opgetekend door: B.J. de Meij, 100 pagina’s, met foto’s en lijst met belangrijkste data. ]
Bron: Blog Zeeland geboekt


Nog veel problemen

In de tweede helft van november werd door de Engelsche legerleiding een evacuatie gelast, noodzakelijk geworden door de overbevolking, door ontbreken van waterleiding enz. Uit de gemeente Middelburg moesten ongeveer 1600 personen naar Zuid-Beveland evacueeren.
Op 19 Januari 1945 kon Klein Vlaanderen en omgeving niet voor overstroming worden gespaard. Door een zwaren storm twee dagen na springvloed kwam des avonds het water zoo snel en hoog opzetten dat het nooddijkje werd overstroomd, terwijl het water ook over het Seisplein binnenstroomde. In een minimum van tijd stonden alle huizen diep in het water en moesten de bewoners naar de zolders vluchten. Daar werden zij in den nacht afgehaald met behulp van booten en vooral ook met de Engelsche 'buffalo's".Groote moeilijkheden werden ook ondervonden door het ontbreken van communicatiemiddelen met andere gemeenten op Walcheren en verder. Met Vlissingen bestond alleen eenige verbinding over het jaagpad langs het kanaal, dat bovendien tijdelijk vrijwel geheel was afgesloten ten behoeve van de geallieerde troepen. (...)Later werd een bootverbinding onderhouden en op 11 December 1944 kwam een treinverbinding tot stand in de vorm van een rij goederenwagons met een rangeerlocomotiefje. Typeerend voor den wel zeer bijzonderen toestand als gevolg van de overstrooming was wel het feit, dat de trein op 19 Januari niet kon rijden omdat het zeewater tusschen en over de rails stroomde.
Bron: Middelburg, onmiddellijk vòòr en na de bevrijding - J.PH. Koene, wnd gem-secr. - 1945


 Terug hoofdpagina2