Dijkgat Veere-Vrouwenpolder

Voorbereidingen voor de operatie bij Veere
We gaan eerst weer terug naar juli 1945, toen het grote aannemersmaterieel uit het Noorden Walcheren binnen begon te komen en de werken met kracht konden worden aangepakt. Niet dat vóór die tijd niet met voortvarendheid gewerkt was: vooral in Veere had men reeds in de loop van de winter met zeer primitieve middelen al het mogelijke gedaan om de situatie te consolideren. Opzichter Mol van de Oostwaterkering, het district van de polder Walcheren waarin het dijkgat bij Veere lag, had een plaatselijke aannemer gemobiliseerd om met primitieve middelen te trachten de bodem van de getijgeulen die in het dijktracé waren ontstaan tegen verdere uitschuring te verdedigen. Bij de twee kleinste getijgeulen lukte hem dat vrij goed. Bij de gevaarlijkste, meest oostelijk gelegen geul, vlak bij Veere, lukte het maar ten dele. De erosie van het oostelijke deel van deze geul kon niet op tijd worden verhinderd. Dat deel schuurde dan ook tot vrij grote diepte uit voordat men in staat was om ook deze helft voldoende met zinkstukken te verdedigen.

Eerste fase van de uitvoering: de kleinere geulen
Het eerste begin van de afsluitingswerkzaamheden was nogal moeizaam, vooral omdat nog niet over voldoende geschikt materieel kon worden beschikt. We zullen hiervoor nogmaals Metzeiaar aan het woord laten, in 'Zeeland in bewogen dagen', waarin hij beschrijft hoe het allereerste geultje in het westen, geul 4, moeizaam werd gedicht. Ik citeer: Geul 4 loopt langs de binnenzijde van de dijk en de altijd schurende eb- en vloedstroom tast het binnentalud zeer sterk aan. Het eerste werk is dan ook deze geul bovenstrooms af te dammen en Maar het eerste gestumper is niet geschikt om bij de, gelukkig niet talrijke, toeschouwers vertrouwen in het resultaat der onderneming als geheel te wekken. De ingewijden weten beter. Alle begin is moeilijk.
Eerst wordt nu een brede zandrug tegen het aangetaste binnentalud gespoten en van nu af aan gaat het moeizaam in de richting van Geul 3. Het dichtspuiten van Geul 3 leek een vrij eenvoudig werkje. Maar dat viel tegen. De eerste poging werd gedaan op een nacht bij zeer laag tij. Er werden enorme hoeveelheden zand in de geul gespoten. en tijdens opkomend tij werd ook veel gewonnen; we dachten dat we er wel zouden komen. Maar zodra de eb begon door te zetten en het water zakte, werd al het zand weer meegenomen en buiten de geul gedeponeerd in het Veerse Gat. Aan het eind van de eb was de geul weer even diep en breed als aan het begin van de operatie. Inmiddels was het zandstort aangekomen bij geul 2. We hadden de verondieping verder opgehoogd, totdat er een eilandje ontstond, opgebouwd uit klei uit het Hollands Diep bij de Klundert. De sluitingsoperatie kon nu in tweeën worden gesplitst. Eerst werd gedurende doodtij het eerste deel van de geul gedicht, waarna we even pas op de plaats konden maken, om bij een volgend gunstig tij het tweede deel aan te pakken. Het dichten van het eerste deel zou betrekkelijk eenvoudig zijn en verliep ongeveer zoals die van geul 3. Er werd weer alleen zand gespoten en de kop van het stort werd weer op het kritieke moment verdedigd met een zinkstuk. zodat men bij de volgende vloed verder kon gaan. Het tweede deel van de geul, dat 14 dagen later bij het volgende doodtij zou moeten worden gesloten. vereiste echter een wat zwaardere aanpak.

Na de Nolle, Westkapelle; na Westkapelle, Veere. Ordelijk en schoon lag het werk er bij. Duizend meter lang moest de nieuwe dijk worden, dwars door vier geulen heen. Maar na het zwetend geploeter van het moeilijk begin groeide de dijk stug en gestadig, in strakke lijnen achter de verscheurde dijksresten om. Eind October, met het dode tij, kon in Veere de laatste geul worden dichtgegooid. Op 17 October, vlak voor het giertij, was die sluitgeul 100 meter breed.  Toen kwam de sombere voorspelling van het laboratorium in Delft: de bezinking van het sluitgat zou het niet uithouden tijdens het giertij met zijn felle stromingen.  Nonsens, zeiden de uitvoerders, rustig afwachten, en het gat sluiten over veertien dagen. Rustig afwachten is nonsens, antwoordde van Hummel, dadelijk sluiten. Hij zette door; de zee had hem geleerd, wat een dag waard was, en zelfs een uur.

Uit: Het verjaagde water

Zwaardere aanpak

Wij waren bij die manoeuvres in de Nolle al eens gaan kijken en wisten dus ook wel ongeveer hoe we met deze caisson te werk moesten gaan. We hadden daar echter ook gezien hoe iedereen zich met het plaatsen van de beetles in het sluitgat bemoeide. De plaatselijke leiding voelde zich daardoor in zijn acties gehinderd en was met deze enthousiaste deelneming van hogerhand bepaald niet gelukkig. We waren bang dat dit zich in Veere zou herhalen en wilden daarom ons plan zoveel mogelijk geheim houden. Middelburg moest niet te weten komen wat we van plan waren. De sluiting zou op een zondag geschieden, omdat het dan doodtij was. Gunstig leek ons dat ir. Jansen dat weekend thuis zou zijn en dus niets van de manoeuvre zou vermoeden. We konden de zaak echter niet helemaal geheim houden, want de beetles waren opgeslagen in de haven van Vlissingen en moesten via het Kanaal door Walcheren naar Veere worden gesleept. Daarbij zouden ze het hoofdkantoor van de Dienst Droogmaking Walcheren aan de Loskade te Middelburg passeren. Hoofdingenieur Verhey, die toen dienst had, zag ze vanuit z'n raam langsvaren en dacht: "Gunst, ze zijn in Veere zeker iets van plan, maar ik zal maar net doen of ik gek ben".

We stelden aanvankelijk voor om de geul geheel dicht te zetten met beetles. die dan ongeveer tot gemiddeld hoogwater zouden reiken en de geul dus voorlopig zouden kunnen afsluiten. De beetles zouden één voor één of hoogstens met twee tegelijk worden geplaatst. Het plan moest van te voren goedgekeurd worden door de staf in Middelburg en men vroeg ons om een uitvoerige toelichting. Dat was de voorwaarde waaronder Middelburg de verdere manoeuvre geheel aan ons wilde overlaten en er zich tijdens de uitvoering niet meer mee zou bemoeien. Na verkregen instemming begonnen we tijdens een doodtij welgemoed met het plaatsen van de eerste beetles aan de oostzijde van de geul. Er werden er zo drie achter elkaar geplaatst zonder bijzondere moeilijkheden. In het modelonderzoek in Delft had men ontdekt dat tijdens het komende springtij gevaarlijke stromingen zouden optreden, mede vanwege de reeds geplaatste beetles. De geul moest hoe dan ook geblokkeerd zijn voordat het springtij zou optreden. Dit was alleen mogelijk wanneer er twee caissons zouden kunnen worden gevonden samen groot genoeg om de geul in de komende week in één klap te blokkeren.

 
 De grotere Engelse caissons waren niet geschikt wegens hun diepgang: we moesten elders in het land zoeken naar geschikte casco's of andere voorwerpen. Gelukkig vonden we twee door de Duitsers gebouwde betonnen invasieschepen: één lag in Lemmer en het andere in Terschelling.  Door alle betrokken waterstaatsautoriteiten te mobiliseren lukte het de schepen in twee dagen tijds naar Veere te brengen. De springstof die wij voor het zinken van de schepen gebruikten was van de Engelsen afkomstig, en zij hadden bedongen dat zij de manoeuvre voor wat het springen betreft geheel in eigen hand zouden houden. Met dit karwei was luitenant Man van de Royal Engineers belast, een aardige man met wie we goed konden samenwerken. Hij bracht van de wal af de ontploffing tot stand. De schepen zonken onmiddellijk en kwamen bijna precies terecht op de plaats waar we ze hebben wilden. Het laatste gat was geblokkeerd. Iedereen feliciteerde iedereen, en men was ervan overtuigd dat wij nu de laatste klus, het waterdicht maken van de blokkade, wel zouden klaren. Met die afdichting zouden we beginnen als de eb voorbij was.
Dat karwei viel niet mee. Het kon alleen maar goed worden geklaard met behulp van torpedonetten,  die we in de overgebleven opening gooiden; de klei uit Klundert vond daartegen steun. Door de gebogen vorm van voor- en achtersteven van de schepen bleven er aan de einden vrij grote openingen. die moeilijk te dichten waren.
De voorwaarden zijn hier wel gunstiger dan bij de Nolle en in Westkapelle, meer materieel en klei zooveel als noodig is. Na 5 dagen hard ploeteren, de 23en October, is het eindelijk zoo ver en kan de radio-omroeper aan meelevend Nederland vertellen, dat het gelukt is het derde van de vier gaten te dichten en dat een aanvang is gemaakt met het loozen van het inundatie-water uit het gedeelte van het overstroomde eiland ten westen van het kanaal. In Veere gaat het werk nog maandenlang met evenveel energie door; de dijk krijgt z'n definitieve vorm met kleibekleeding en oeververdediging. Definitief omdat, in tegenstelling tot Westkapelle en de Nolle, hier 16 hectaren kostbaren grond aan de zee worden prijsgegeven. Hier zal de vernielde dijk niet volgens z’n oude beloop worden hersteld; de afwerking van den nieuwen dijk moet dus met meer zorg geschieden dan elders.

Bron: DELTA-VISIE, Een terugblik op 40 jaar natte waterbouw in Zuidwest-Nederland door Dr. lr. H.A. Ferguson



Toen klom Willem Wappervaan in de telefoon. Hij ontdekte de twee schepen in Terschelling en de Lemmer, honderden kilometers van Walcheren vandaan; en toen belde hij sleepbootkapiteins en districtsingenieurs uit hun bed, havenmeesters en sluiswachters. Hij zat aan zijn lessenaar op de Buitenkade, met de hoed achter op het hoofd en een schapenvacht aan, want de jongste bediende durfde niet naar binnen, om de kachel aan te houden; het kind was kerks en beefde van het ontzettende gevloek, wanneer er een verbinding afknapte. Wappervaan stookte met zijn stem de vuurplaten gloeiend en schreeuwde de sleepboten hun havens uit; hij blies dozijnen sluisdeuren open, op uren, dat ze anders gesloten waren, en sleurde aan de dunne telefoondraden het logge konvooi binnen 48 uur door heel Nederland heen. Hij zat op zijn stoel als admiraal van een onzichtbare betonnen vloot, en hij was gelukkig.
Op 18 October, bij het begin van het springtij, vierden kraan 2 en kraan 7 de schepen het gat in. Ze deden het als oud-gedienden, die een routinebeweging uitvoerden. Toen de schepen in elkaars verlengde lagen, van dijkskop naar dijkskop, liet kapitein Roberts zijn ladingen ontploffen: een routineoperatie. En toen klei in de schepen, stortsteen in de gaten, zand er achter uit twee persleidingen, vijf dagen en vijf nachten lang. 23 October, op de top van het springtij, riep de radio om, dat het gat van Veere die morgen vroeg was dichtgegaan. De ring van duinen en dijken rond het westelijk deel van Walcheren was voltooid

Uit: Het verjaagde water

Drie dagen na de sluiting van Veere stak een storm op; millioenen kubieke meter water joegen hun schuim tegen duizenden overstroomde huizen. Het water moest weg, en gauw. De bulldozers (van de Engelsen) bromden twee dagen lang. In het gat, dat zij gegraven hadden. smeten de rijswerkers snel een zinkstuk. De sluizen bij Vlissingen en Veere werden bij eb gesloten; het water in het kanaal (door Walcheren) stond zo laag, dat een paar verroeste wrakken boven kwamen. De bulldozers groeven de laatste versperring weg. Het overstromingswater schuimde het kanaal binnen. Midden in de nacht van 31 October op 1 November drukte het de sluisdeuren van Veere open. Buiten trok de eb; en het water kolkte troebel naar zee.
De volgende Zondag kwamen ze bij drommen kijken, van over het hele eiland. Even stonden ze stil naast het wonder: water, dat steeds bleef doorlopen in dezelfde richting Als het zo doorloopt, is de Noordweg in een week droog. Niks hoor, de Sijsweg wint het, die ligt hoger. In Oostkapelle en Serooskerke, in Biggekerke en Aagtekerke, in Meliskerke en Koudekerke, in alle eilanddorpen plasten ze naar de peilschaal om te kijken, hoever het weer gezakt was vandaag. Ze ritsten strepen op de groene palen van de steigers, ze krasten strepen in de schors van de dode bomen, aan het eind van de dorpen.

Uit: Het verjaagde water


Den Doolaard Wegwijzer 1944 WestkapelleDe boeren willen op hun land wérken, maar het enige wat ze doen kunnen is de sloten uitdiepen en de strepen zand afgraven, die de stroom heeft meegebracht. Ze zouden graag gaan spitten en ploegen op de droogste plekken; maar de heren van Landbouwherstel hebben gezegd, dat ze wachten moeten tot het voorjaar: de bodem is strak van het zout, en spitten, ja, er op lopen zelfs, maakt het grondbederf erger. Als God nu maar rijkelijk winterregens zendt, zullen ze in het voorjaar van 1946 gerst kunnen inzaaien en andere gewassen met korte wortels. De grond is niet dood; maar elke korrel stikt van de dorst; eerst moeten de akkers drinken, de hele winter lang. Vier, vijf jaar zal het duren, eer het weer goed is, hebben de heren landbouwingenieurs gezegd; maar wat zijn vier, vijf jaar in het leven van een akker, die je van je vader heb georven en die je aan je zoon gaat nalaten? Mensen sterven; maar het land blijft. Aan de andere kant van het Kanaal ligt nog een overstromingsgebied; maar daar denken ze allang niet meer aan. Ze hebben het te druk met hun eigen bedoening, en Rammekens moet maar voor zíchzelf zorgen. Ze staan met hun voeten op de weke aarde, en als ze aan het vraatzuchtige water denken, huiveren hun gedachten terug. Drie dijksgaten zijn gedicht; West- en Noord-Walcheren lopen droog; en in alle straten gillen de schrapijzers van de stratenmakers het uit dat de zee het voorgoed verloren heeft.

Uit: Het verjaagde water [A. de Doolaard >> foto ]

 

Terug hoofdpagina2