Atlantikwall

Inleiding

Meer dan 5300 kilometer: zo lang was de Atlantikwall. Hij strekte zich uit van de Noordkaap in Noorwegen tot aan de Pyreneeën. Deze 'wal' bestond uit een eindeloze aaneenrijging van bunkers en andere militaire installaties en bouwwerken. Hij moest de Atlantische kust en het hele Europese vasteland beschermen tegen een geallieerde invasie over zee, Dat deed de Atlantikwall door de havens te beschermen, maar ook de (kust)gebieden daartussen werden verdedigd. De Atlantikwall kwam niet in één twee drie tot stand. Het eigenlijke concept - de integrale verdediging van de West-Europese kust - dateert van eind 1941. Voordien concentreerde men zich op de havens, de bescherming van scheepvaartroutes en een Duitse invasie van Engeland, Deze operatie, Seelöwe, bleek al snel niet haalbaar. De plannen bleven embryonaal - met onder meer zware spoorwegbatterijen aan Pas-de-Calais die de Britse kust moesten beschieten - en bovendien had Duitsland de luchtoorlog boven Groot-Brittannië verloren. Sindsdien richtten de Duitse militairen in het Westen zich niet langer op de aanval en concentreerden ze zich op de verdediging.

14 december 1941 zou je als een soort officiële startdatum kunnen beschouwen: toen verspreidde het Oberkommando van de Wehrmacht een verordening over de Organisatie van de kustverdediging in West Europa, Die werd toen nog Neue Westwall genoemd, naar de oudere Duitse verdedigingslinie die in de jaren 1930 aan de Frans-Duitse grens tot stand was gekomen. December 1941 is ook de periode waarin de Duitse inval in Rusland geen onverdeeld succes leek te gaan worden, waarop Duitsland heel wat extra soldaten richting Oostfront stuurde. Men wilde het gebrek aan troepen dat hierdoor in het Westen dreigde, opvangen door een permanente kustverdediging, in een ketting van steunpunten.

 

Aanleg in fasen
De Atlantikwall kwam tot stand in enkele grote bouwfasen. Die laten ook zien hoe de oorlog evolueerde:
1 . In de eerste bouwfase, van oktober 1942 tot mei 1943 (het Winterausbauprogramm), werkte men met onbedekte geschutsstellingen: er was toen nog geen angst voor geallieerde luchtaanvallen. Maar de bouw door de Duitse land-, lucht- en zeemacht verliep trager dan gehoopt: de plannen waren te ambitieus en er was een tekort aan bouwmaterialen en transportmiddelen. In mei was nog maar de helft van het programma afgewerkt.

 
2. Van oktober 1943 tot april 1944 (het Schartenbauprogramm) richtte men zich op de bouw van essentiële onderdelen, zoals bij strategisch belangrijke havens. De Duitse bevelhebbers vreesden nu meer luchtaanvallen (die er ook meer en meer kwamen) en een geallieerde landing. Daarom werd het bouwprogramma 'zwaarder', met kleinere maar gesloten geschutsbunkers. ln het najaar van 1943 besliste het Duitse leger onder leiding van Generalfeldmarschall Von Rundstedt (1875-1953) ook dat er op enkele kilometers van de kust in het achterland een tweede linie werd uitgebouwd, met veldbatterijen.
3. Vanaf eind 1943 tot nog na de landing in Normandië op 6 juni 1944 werd het bunkerbouwprogramma versneld, onder impuls van – en na een inspectie door - generaal-veldmaarschalk Erwin Rommel (1891-1944). Volgens Rommel, die aangesteld was als algemeen inspecteur van een deel van de versterkingen in het Westen, vertoonde de Atlantikwall veel zwakke plekken, Ook de stranden moesten tegen een invasie beschermd worden, vond hij, niet alleen de havens, en daarom liet hij een klein miljoen obstakels aanbrengen. Ook in het volgens Rommel te weinig beschermde achterland werden mijnenvelden, massa's zogeheten Rommelasperges (houten of betonnen palen), voorzieningen voor de onderwaterzetting van velden en ook nepbatterijen ingericht tegen luchtlandingen. De mijnenvelden waren goed voor zowat 6.675.000 stuks. Pas door dit nieuwe concept ontstond een ononderbroken kustverdedigingslijn-met-rugdekking vanuit het binnenland. Van de 15.000 geplande bunkers waren er in juni 1944 al 10.273 gebouwd. Achthonderd waren in aanbouw.
4. Nog tot eind september 1944 werden volop nieuwe bunkers gebouwd. Meer dan de helft waren zogeheten Kleinstände, compacte bunkers voor geschut, manschappen en munitie, In Noord-Nederland, Denemarken en Noorwegen ging de bouw van bunkers ook in 1945 nog verder.
Bron: Bezoekersgids Raversijde

 

Lees ook 'Geschiedenis van de Atlantikwall' (online artikel op Historiek)

 

Bekijk ook de presentatie van de Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland (SCEZ) over bunkerbouw en camouflage



Strandhindernissen
Bij de Atlantikwall werden strandhindernissen aangelegd. De meeste stonden opgesteld tussen de laagwaterlijn en de vloedlijn.
1. 'Rommelasperges of boomstammen in het zand, schuin naar zee gericht en voorzien van een mijn of een granaat. Ze waren bedoeld om landingsboten uit te schakelen.
2. Andere 'boomstammen' werden onder de hoogwaterlinie geplaatst en waren voorzien van een reeks mijnen of zaagtanden die naderende landingsvaartuigen moesten openrijten,
3. Cointet-elementen, ook 'Belgische poorten' genoemd, hoewel het om een uitvinding gaat van de Franse kolonel De Cointet.  Deze grote stalen constructies dateren van voor de oorlog en werden als tankhindernis gebruikt. De Duitsers plaatsten ze op het strand om de landingsboten en de naderende tanks te hinderen..
4. Nussknacker-Mine of Notenkrakermijn, doorgaans een zwaar betonnen blok met ruimte voor mijnen, bommen of explosieven. Een stalen balk (spoorstaaf) functioneerde als hefboom en zorgde ervoor  dat er druk werd uitgeoefend op de ontsteking van de mijn als er een amfibische vaartuig tegen botste; zo werd de lading tot ontploffing gebracht.
5. Kenmerkend zijn ook de Tsjechische egels, waarvan er op de stranden veel stonden.
Meestal werden ze met betonblokken verzwaard om niet weg te spoelen.
6. Tetraëders: IJzeren en betonnen piramides konden gemakkelijk op een andere plaats worden vervaardigd en daarna ter plaatse samengesteld.

rommelasperges Hindernis boomstammen Hindernis Belgische poort Hindernis notenkrakermijn Hindernis Tsjechische egels Hindernis tetraëders
1 2 3 4 5 6