Werk- en strafkampen

Werkkampen

Organisation Todt

OrgTodtTunicarmbandDe militaire activiteiten brachten naast een toename van militairen ook veel arbeiders naar de kust. Werkvolk voor de Organisation Todt, het staatsaannemersbedrijf van Nazi-Duitsland, dat verantwoordelijk was voor de bouw van de bunkers. Vaak werden via deze instantie Duitse of lokale aannemers gecontracteerd voor de bunkerbouw. Voor het onderbrengen van militairen en arbeiders werden, evenals als bij de militairen, huizen gevorderd of werd overgegaan tot inkwartiering. Speciaal voor de arbeiders richtte men ook arbeiderskampen in. Zo verrees op de huidige sportvelden van Koudekerke een barakkenkamp voor 624 arbeiders, genaamd OTLager Emden. In oktober 1943 is de capaciteit teruggebracht naar 478 arbeiders. De meeste mannen hier werkten voor het (nog altijd bestaande) Duitse bedrijf Ways und Freytag. De leider van het kamp was de Truppführer (sergeant) Fritz Wingerter.
Onder hem waren negen vrouwen en zestien mannen, allen Nederlanders, werkzaam om de boel draaiende te houden. Voor de huishoudelijke werkzaamheden ronselde men plaatselijke vrouwen. De Nederlandse overheid hanteerde hierbij de strikte regel dat minderjarige meisjes niet voor de Duitsers mochten werken. In de zomer van 1943 liep het aantal arbeidskrachten ernstig terug toen Nederlandse arbeiders gedwongen werden om in Duitsland te gaan werken.
Bron: Koudekerke in  de Tweede Wereldoorlog 


OT schuilbunker Dishoek

 

Eigenlijk hoort deze schuilbunker niet bij Stützpunkt Fidelio maar ligt er wel dicht bij. Het is een schuilbunker (Luftschutz in Vf) van één van de barakkenkampen van de Organisation Todt (OT) van de (Marine) Batterij Dishoek. In de Manteling stond een dergelijk barakkenkamp voor de arbeiders van de OT. De schuilbunker is te vinden langs het fietspad Dishoek – Vebenabos


 

 

 

 

Het OT-kader en de leiding van de diverse bouwondernemingen zaten meestal gerieflijk in een woning. Voor de werkers in het veld, zoals betonstorters, grondwerkers en ijzervlechters, was de huisvesting minder riant. Zij werden ondergebracht in Lager(kampen). In een overzicht uit november 1943 vinden we op Walcheren elf Lager met namen van Duitse steden. Zo kende Middelburg Lager Stuttgart, Dishoek Dessau, Koudekerke Emden en Valkenisse Jena. Het Lager was meestal een barakkenkamp (Zoutelande). Soms was het in een school gevestigd (Middelburg, Veere). Aan het hoofd stond een Duitse Lagerführer, geassisteerd door een Hilfslagerführer. Verder had men een kantinebeheerder, een kok en hulpkrachten zoals aardappelschilsters. Op 24 november 1943 waren in Lager Danzig (Zoutelande) naast de leiding elf mannen en zeven vrouwen werkzaam.

Alles bij elkaar zat op Walcheren een bouwleger van formaat, dat van vroeg tot laat in de weer was en zo nodig ook op zondag werkte. Op 6 oktober 1943 was d OT op Walcheren 2.676 man sterk en op 30 november 1943 bestond ze zelfs uit 3.204 personen. Die getallen zijn overigens geflatteerd; op laatstgenoemde datum ontbraken wegens ziekte en overig verzuim 970 man op het appèl, een verzuimpercentage van rond de dertig.

In alle Lager werden gezamenlijke kerstvieringen gehouden, die vrijwel allemaal door de OT-leiding werden bezocht. Die leidinggevende sprak met de bewoners en hield korte peptoespraken. De mannen werden bedankt voor hun inzet en opgeroepen zich in het nieuwejaar met nog grotere energie in te zetten voor het welzijn van alle Europeanen… De Nederlandse arbeiders kregen een pakje met 500 gram pepernoten, 200 gramkoek, 125 gram zoetigheid (drop) en 20 sigaretten. Verder kregen ze rijkelijk te eten en was er rumpunch. De Duitse OT’ers kregen – verschil moest er zijn – behalve hun kerstpakket nog 500 gram peperkoek, 200 gram Lebkuchen,125 gram drop en een kwart liter rum.

Met betrekking tot het menselijke aspect kan worden opgemerkt dat de OT bij het rekruteren van arbeidskrachten niet kieskeurig optrad: veel arbeiders werden onder dwang tewerkgesteld. Gedwongen of vrijwillig, iedereen liep risico slachtoffer te worden van een bedrijfsongeval of oorlogshandelingen. Een voordeel van werken bij de OT op Walcheren was wel, dat men aanvankelijk niet naar Duitsland werd uitgezonden.

Bron: Jules Braat in De Wete 2008 

 

Het ligt voor de hand dat het relatief lage aandeel van Zeeland in de naar Duitsland gestuurde arbeidskrachten gecompenseerd werd door een groter aantal naar de OT bemiddelde mannen. Daar lagen zeker niet uitsluitend medische redenen aan ten grondslag: de Duitsers hadden aan de kust hard mensen nodig, vooral trouwens gekwalificeerde bouwvakkers. Het arbeidsbureau in Terneuzen stuurde vanwege deze behoefte opzettelijk veel mensen naar de kustverdediging, en voorkwam zo dat zij naar Duitsland gingen. Op 27 januari

 

mbrg ot lager school verwerijstr

OT-Lager Middelburg Verwerijstraat (schoolgebouw)


1943 waren bij voorbeeld nog maar 350 van de geëiste 1500 arbeiders op Walcheren verschenen. De animo was onder andere niet erg groot omdat de lonen in Zeeland aanzienlijk lager waren dan in de meeste andere delen van het land. Als niet-Zeeuwse arbeider kwam men bovendien in barakkenkampen terecht – eind september 1943 waren er op Walcheren elf -, met alle beperkingen van dien. Hoe weinig zin men over het algemeen had in Zeeland te werken blijkt uit de 1046 mannen die in oktober 'flüchtig und krank' waren, op een totaal van 2528 op Walcheren bij de OT tewerkgestelde Nederlanders; daarnaast waren hier nog 215 Vlamingen en 64 Duitsers werkzaam. Om die reden werd begin 1944 de al geldende dienstverplichting zonder omwegen met een jaar verlengd; tevens werden zij die om familieredenen naar huis hadden mogen gaan, alsnog verplicht terug te komen, zouden afgekeurde arbeiders nog eens door een OT-arts worden herkeurd en konden de overige wegbiijvers de Feldgendarmerie of de Sicherheitspolizei op hun dak krijgen.
Bron: Zeeland 1940-1945



Oorlogshandelingen/-verliezen

Hoewel de OT niet tot de Wehrmacht behoorde, kwam zij door de aard en plaats van inzet wel onder schot te liggen. De OT Lager waren niet direct doelwit van de geallieerden maar werden soms wel geraakt, waarbij doden en gewonden vielen. Al op 1 juni 1942 was het in Vlissingen letterlijk en figuurlijk goed raak. Het OT-Lager werd door bommen getroffen en zes WA-Schutzmänner lieten het leven. De ravage was groot, negentig mannen kwamen zonderhuisvesting te zitten. De keuken kon niet meer worden gebruikt en de inventaris van vier slaapzalen was verwoest. Voedsel was door glas en puin niet meer voor consumptiegeschikt. De Bauleitung zette bij het opruimen honderd man in en werd daarbij geholpen door de Wehrmacht. De dakloze werklieden werden in scholen in Souburg ondergebracht.

De 15de augustus 1943 is ook een zwarte dag geworden. Lager Oud Station in Vlissingen werd door bommen zwaar beschadigd en de schil- en wasruimte kreeg een voltreffer. Het Lager was zo zwaar getroffen, dat het niet langer bruikbaar was.

Op weg naar het einde

Medio januari 1944 werd kamp Jena in Valkenisse opgeheven. Wellicht was dit een aanwijzing dat de OT haar werkzaamheden op Walcheren begon af te bouwen. Begin mei 1944 gingen zeventig Vlaamse arbeiders naar Leuven. Ook de aanvoer van materialen werd moeilijker omdat schepen en treinen steeds vaker door geallieerde vliegtuigen werden aangevallen. Tijdens de invasie in Normandië op 6 juni1944 was de OT nog steeds op Walcheren aanwezig. Wel werden vrij kort daarna enkele kampen samengevoegd: het personeel van Veere ging naar Middelburg, Souburg nam Dishoek over en de arbeiders van Domburg, Oranjezon en Zoutelande gingen naar Westkapelle. Omdat sommige arbeiders verder van hun werkplek werden ondergebracht, werden zij met autobussen en vrachtauto’s naar hun werk vervoerd. In deze rommelige periode liet een groot aantal OT-arbeiders het werk in de steek; ze doken onder of gingen via het arbeidsbureau voor de Wehrmacht werken.Op 7 november 1944 werd de Aussenstelle Middelburg officieel geschrapt.

Bron: Jules Braat in De Wete 2008


Strafkampen

In Souburg was inmiddels voor hen een Anhalte- und Arbeitserziehungslager ingericht. Al in de oproep die iedere tewerkgestelde burger kreeg stond te lezen dat in het geval men niet zou opkomen strafmaatregelen zouden worden opgelegd: gedurende een viertal weken, later uitgebreid tot zes weken, zou men in Souburg in een kamp van de Organisation Todt worden ondergebracht. Degenen die niettemin in dit kamp terechtkwamen werden van daaruit ergens op Walcheren aan het werk gezet. Eerder was dit strafkamp trouwens al in gebruik voor OT-arbeiders die bij voorbeeld van hun werk waren weggelopen. In mei 1944 zaten er ongeveer veertig weigerachtige Zeeuwen. Volgens de Domburgse wethouder W. Brand, die hier eind mei terechtkwam, moest men werken aan de tankgracht om Vlissingen en bij het Fort Rammekens. Daar marcheerde men dan naartoe. Het regime was naar zijn ervaring niet bijzonder streng, maar allerminst aangenaam.

Lees hier verder

 

Wij nemen aan dat van diegenen die in eerste instantie weigerden op te komen (men denke aan de cijfers met betrekking tot Vlissingen en Middelburg), velen toch aan het werk gingen, ook als zij niet door de politie, de marechaussee of de Landwacht opgehaald werden. Er waren er evenwel ook die bleven weigeren; doken zij niet onder, dan werden zij gearresteerd en voor een periode van vier, later zes weken opgesloten in een strafkamp bij Oost-Souburg op Walcheren. Daar zaten eind mei meer dan veertig ‘strafgevallen’, meest Zeeuwen. Zij waren allen kaalgeknipt, moesten overdag onder strikt toezicht werken, kregen naast hun werk nog urenlange straf oefeningen te doen en ontvingen naast de middagmaaltijd waar de Centrale Keuken te Middelburg voor zorgde, in het kamp nauwelijks iets te eten. Het spreekt vanzelf dat van het bestaan van dit strafkamp een intimiderende werking uitging. De inzet van de gevangenen liet veel te wensen over; het Nederlandse bewakingspersoneel kreeg dan ook de opdracht de gevangenen beter te laten presteren. Tijdens hun bezoek constateerden de Nederlandse autoriteiten dat er voldoende wasgelegenheid was. Om te baden ging men groepsgewijs naar het Middelburgse Huis van Bewaring.
Het kamp te Oost-Souburg is omstreeks 10 juni '44 opgeheven; de kampbewoners werden toen via enkele tussenstations naar Bergen op Zoom gebracht waar men hen vrijliet.

Bron: Dr. L. de Jong, deel 7b

 

Het Nederlandse OT-personeel was niet altijd even betrouwbaar. Het nam wel eens de benen of keerde niet terug van verlof. Om dit gedrag de kop in te drukken, nam de OT in overleg met de Beauftragte voor Zeeland maatregelen. Bij wegblijven van de werkplek ging een opsporingsbericht uit naar de Feldgendarmerie (Duitse militaire politie), die de desbetreffende persoon moest opsporen en naar de werkplek terug moest brengen. Een eventueel met een ander bedrijf afgesloten arbeidsovereenkomst werd niet erkend en in geval van ziekte moest een Duitse vertrouwensarts of militaire dokter de patiënt onderzoeken. Deserteurs gingen naar een speciaal kamp. In Souburg werd eind 1943 een strafkamp opgericht dat de nazi’s eufemistisch Erziehungslager (opvoedingskamp)noemden. Gemarteld werd er niet, maarde omstandigheden waren slecht en daarover kwamen klachten naar buiten. De inzet van de gevangenen liet veel te wensen over; het Nederlandse bewakingspersoneel kreeg dan ook de opdracht de gevangenen beter te laten presteren. De Nederlandse autoriteiten waren van mening dat zij, ongeacht hun prestatie, de arbeidsuren betaald moesten krijgen. Daar ging de OT niet mee akkoord, omdat dan Nederlandse arbeiders die vrijwillig aan de kust werkten, benadeeld zouden worden. De OT werkte langs de hele kust met prestatiebeloning.

Bron: De Wete

 

spitten voor moffen



Koudekerke 1944 gevangenen


Hoe ging het er in Souburg aan toe?

Op 10 juni 1944 eiste het Rijkscommissariaatde gevangenen op. Zij waren nodig voor belangrijke werkzaamheden in de oorlogsindustrie. Kamp Souburg moest ontruimd worden en de gevangenen moesten binnen tien dagen ter beschikking staan. De ontruiming verliep chaotisch. In de nacht van 10 juni drongen zwaarbewapende en beschonken OT-leden het kamp binnen. Onder het dreigen met “eine grosse Katastrophe” dwongen zij de gevangenen zich binnen tien minuten gereed te maken voor vertrek. Twee Nederlandse gevangenbewaarders die probeerden zich over hen te ontfermen, werden door OT-leden bedreigd. Met alleen een stuk brood en een deken werd de groep onder vloeken en tieren naar Middelburg gebracht. Een der Nederlandse begeleiders probeerde daar de directeur van het Huis van Bewaring te waarschuwen, maar werd met een wapen bedreigd. Te voet ging men door naar Goes. Daar verscheen de Frontführer, die de Truppenführer verving. In Goes werden de gevangenen in een trein gezet die hen naar Krabbendijke vervoerde, waar in een conservenfabriek werd overnacht. Uiteindelijk kwam de groep in Breda terecht en werd daar ondergebracht in de gevangenis. Wat daarna gebeurde is onduidelijk.
Bron: De Wete 2008 nr 4

Er waren vaker opgepakten, die weer wij snel werden vrijgelaten. Zo weet de destijds l8-jarige A.H. van den Bulck, die als tweede werd opgepakt, zich nog te herinneren dat als eerste de 18-jarige Hans Harting, de later zo befaamde Zeeuwse middenafstandloper, werd gepakt. Voorde P.Z.C. haalde Harting enkele herinneringen op. 'Ik werd opgepakt door de Sicherheitspolizei. In de kamer waar je werd verhoord, werd je van de ene hoek naar de andere geslagen. Later kwam je voor de rechter. Dat gebeurde heel officieel. Daar stond je dan met allemaal mensen van de Sicherheitspolizei om je heen. Van de jongens die voor me stonden kreeg er één twintig jaar gevangenisstraf en de andere dertig jaar. Daar moest ik om lachen, want je wist dat de oorlog nooit zo lang meer zou duren ... Ik werd op het laatste moment vrijgesproken, nadat mijn moeder bij de Ortskommandant was geweest. Ondanks die vrijspraak moest ik toch dwangarbeid verrichten. Helpen bij graafwerkzaamheden in Domburg'. Door bemiddeling van familie kon menigeen voortijdig het kamp verlaten; ook bemiddeling van mensen als de Vlissingse politieman Jacob van Holst en de Vlissingse Ortskommandant Hans Heinze hadden resultaat.

Lees hier verder