Onderduikers

Waar?
Binnen Zeeland was het herbergen van onderduikers lang niet overal even gebruikelijk. Meer dan de helft van alle Zeeuwse onderduikers had een plek gevonden in Zeeuwsch-Vlaanderen. In het oostelijk deel van dit gebied zouden in de zomer van 1944 zeshonderd tot duizend man zijn verzorgd - het  betreffen hier, dit voor de goede orde, steeds naoorlogse schattingen. Daarnaast waren er natuurlijk ook mensen ondergedoken die niet via de LO aan de benodigde eerste levensbehoeften kwamen. Verschillende wat afzijdig gelegen polders als de Koningin-Emmapolder en de Prosperpolder bij Nieuw-Namen en de Kruispolder bij Graauw herbergden vaak tientallen onderduikers tegelijkertijd. In  Zaamslag en omgeving zaten ongeveer zestig  man die door de LO werd verzorgd. Net als hier zaten in het westen veel onderduikers bij boeren ondergedoken; ook daar waren het er wellicht zo'n duizend in totaal, waarvan de helft onder de zorgen van de LO zou zijn gevallen.
Lees meer
Bron: Zeeland 1940-1945

 


Oprichting Zeeuwse LO
De Goese OD'er Kees de Graaff heeft Frits de Zwerver van 13 tot 16 mei 1943 naar Goes gehaald om een Zeeuwse LO op te richten. Ook ds. Wim van der Vegt van de groep van Laport was hierbij betrokken. Mijn vader Jaap Rus heeft dominee Slomp nog op 16 mei in de gereformeerde Westerkerk horen preken, niet wetende dat deze preekbeurt ver van huis een dekmantel was voor de oprichting van een Zeeuwse LO. Er waren in Goes twee vergaderingen met Frits de Zwerver, een kleine met leden van de groep van Laport en De Roo en een grote met achttien OD'ers. Die laatste groep was volgens ds. Slomp gevaarlijk groot om bijeen te komen. Bij de twee vergaderingen met Frits de Zwerver was ook de 20-jarige Bert Bakker ( 'Rein') aanwezig die een actief lid was van de groep van Piet Kloosterman. Vervolgens sloten de OD'ers die bij de vergadering met ds. Slomp hadden gezeten zich toch (nog) niet aan bij de LO. Ook de gereformeerde groep van Laport wenste eerst nog zelfstandig te blijven. Secretaris van de Zeeuwse LO werd Jacobus P. (Peter) Maljers ('Oom Peter') uit Middelburg. Maljers verzorgde al in 1941 onderduikers. Hij regelde ook voedseltransporten voor Joden in Amsterdam en later voor concentratiekampen. Ook de Middelburgse drogist Wouter Damen was lid van Maljers' groep. Voorzitter van de Zeeuwse LO werd ds. M.W.J.C. Kluis ('ds. Smoon') uit Serooskerke, De uit Gelderland afkomstige Sander de Vries ('Jan de Wit') was degene die de districten bezocht. Ook vertegenwoordigde hij vanaf 15 januari 1944 Zeeland op de interprovinciale bijeenkomsten. In Vlissingen ging Arie Lokker ('Oom Arie') de kar voor de LO trekken. Vergaderingen vonden vaak plaats op Dam 10 te Middelburg, waar de familie Van Leeuwen woonde; niet ongevaarlijk in een pand dat direct naast het pand van Beauftragte Münzer lag .
Zeeland was tijdens de oorlog, vanwege het grote belang van de havenstad Antwerpen - en dus van de Schelde - en vanwege de Atlantikwall, grotendeels spergebied. Dus geïsoleerd. Maar die isolatie kwam ook omdat de Zeeuwen zelf niet zo bereid waren zich aan te sluiten bij een landelijke organisatie. Van Piet Kloosterman weet ik dat hij bevreesd was om kwetsbaarder te worden wanneer hij in een groter verband ging samenwerken. De groep van Laport had via ds. Jan uit Sprang-Capelle en Rien Jiskoot wel indirect contact met de landelijke Beurs. Officieel was er geen aansluiting tussen organisaties als de OD en de LO. Maar in de praktijk ging het om mensen uit verschillende groepen die elkaar kenden en vertrouwden, en samen iets ondernamen. Zo waren bij de zes overvallen op distributiekantoren in Zeeland zowel de OD als de LKP (van de LO) betrokken. Pas begin 1944 sloot een aantal OD'ers zich ook aan bij de LO.

Bron: Breekbare helden


 

Marinus Dingenis de Groot
Hij werd te Goes geboren op 28 februari 1900 en hij was kruidenier van beroep. Hij fungeerde als ondercommandant van de Inlichtingen Dienst en stuurde daarbij jonge mensen aan, die verplicht voor de Duitsers moesten werken. Zij moesten, zeker wanneer ze bij de aanleg van verdedigingswerken werden ingeschakeld, hun ogen goed de kost geven, thuisgekomen hun bevindingen op tekening weergeven en die bij De Groot inleveren. Die droeg er dan zorg voor, dat ze bij de geallieerden terecht kwamen, want de ID beschikte in 1944 over een eigen zender, waarmee contact kon worden onderhouden met een illegale zender in Middelburg, die krachtiger was dan de Goese en die contacten had  met de geallieerden. Hij werkte ook voor Trouw en voor de Landelijke Hulp aan Onderduikers. Op 3 oktober 1944 arresteerden de Duitsers hem, brachten hem in eerste instantie over naar het kantoor van de SD in Middelburg. Vandaaruit werd hij met een verzetsman uit Middelburg door een tweetal Duitsers weggebracht naar Brabant.

Lees meer

Bron: Blog 'Den Archivaris'


Het ondergrondse verzet groeide ook, al ondervond het wel enkele voor Zeeland specifieke problemen. Eén hindernis bijvoorbeeld was op veel plaatsen, en zeker op het Walcherse platteland, het lijdelijke karakter van de bevolking. Meer problemen nog leverde de neiging van de Walchenaars zich te conformeren, zich aan te passen aan wat 'men' deed. Hadden de buren geen onderduiker, dan nam je er zelf ook geen. Buigen en meedoen met de rest was rustig en veilig en die houding lag de meeste Walchenaars beter dan opstand. En dan was er de gemoedelijke omgang met de Duitse soldaten. In een illegaal pamflet Zeeuwen, waarop wacht gij? verweet een anonieme schrijver de bevolking in de zomer van 1943 deze vriendelijke houding. Hij riep hen op de lijdelijkheid te laten varen en gastvrij te worden voor onderduikers. "Uw loyaliteit en gemoedelijkheid - vooral bij de vijand bekend! - beschermt U voorshands tegen zijn wrede represailles."

(Bron: Eilandbewoners)


Ook de familie Groenleer uit Colijnsplaat helpt een aantal onderduikers. Het gaat om een Joodse familie. Deze familie handelt in lompen en kent de Joodse familie Polak in Middelburg goed. Kees Groenieer verkoopt elk jaar wat ijzer aan de familie Polak. Wanneer de Zeeuwse Joden vanaf januari 1942 verplicht naar Amsterdam moeten, geldt dat ook voor de familie Polak. Met hulp van de vroegere werknemer Piet van den Berg en zoon Arjaan Groenleer worden valse persoonsbewijzen naar Amsterdam gebracht. Na veel hindernissen arriveren de leden van de joodse familie op 19 augustus in Colijnsplaat. Vanaf die dag moet de gehele familie zwijgen over hun gasten. Vooral voor de kinderen is dat moeiiijk. Aan de overkant wonen Duitsgezinde buren en die mogen niets te weten komen over de onderduikers. Twee jaar lang gaat alles goed met Arjaans activiteiten om eten voor de onderduikers op te scharrelen, maar op dolle dinsdag 5 september wordt hij opgepakt en verhoord. Hij wordt gered door een NSB'er die zich laat ontvallen: 'Ach, laat die vent toch lopen, hij loopt hier maar voor oude rommel.'
Lees meer over Arjaan Groenleer

 

Lees meer over Joodse onderduikers op de pagina Deportatie en onderduiken

Het onderduiken in West-Zeeuws-Vlaanderen was vaak geen probleem, ook al hadden jongemannen die voor de Arbeitseinsatz waren opgeroepen hun stamkaart bij het distributiekantoor ingeleverd. Altijd waren er wel boeren die iemand op de boerderij konden gebruiken omdat hun knechten aan de Atlantikwall werkten. Daarbij namen zij het gemis aan bonkaarten op de koop toe, behalve de tabaksbonnen wellicht. Om het onderduiken mogelijk te maken, vroegen de organisatoren regelmatig om geld bij mensen die begaan waren met het lot van de onderduikers. Mede door de bloeiende zwarte handel in West-Zeeuws-Vlaanderen werd dan ook veel geschonken, waardoor de L.O.-organisatie in tegenstelling tot bonkaarten, aan geld geen gebrek had. Een boer, zo verklaarde die zelf, kocht zijn geweten af door maandelijks f 500,- te schenken omdat hij daarmee geen risico hoefde te lopen. Daardoor was het mogelijk om na aftrek van de kosten en de uitkeringen aan onderduikers vaak meer dan f 1.000,- per maand af te dragen aan de provinciale L.O.-organisatie. Om aan die geldelijke middelen te komen, werden behalve vlugschriften vaak ook zgn. brandplaatjes verkocht. Dat waren subtiele prentjes met een emotionele voorstelling of heimelijk verspreide foto's van het koningshuis.


Hoeveel?
Hoeveel onderduikers Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog telde, weten we niet precies. Vermoedelijk ging dat om vele mensen, waarvoor de organisatie Landelijke Hulp aan Onderduikers op poten werd gezet. Aan de mensen die daadwerkelijk onderdoken hebben gezeten, kunnen we het meestal niet meer vragen. Hun aantal zal thans, zeventig jaar na dato, niet groot meer zijn. Maar ze zijn er geweest, ook in Goes. Zo verbleven er op de molen maar liefst 13 onderduikers. Zij zaten daar betrekkelijk veilig, want de molen was aangewezen als Wehrmachtsbetrieb. In de dun bevolkte polders, zoals de Westkerkepolder in achter Oud-Sabbinge zat ook een substantieel aantal. Hetzelfde geldt voor de andere, toenmalige gemeenten in de Zak van Zuid-Beveland.
Lees meer
Bron: Blog 'Den Archivaris'


Een dominee heeft een geschrift uitgegeven ’Onze houding in de bezettingstijd’. Dat was een uiteenzetting dat wij ons geld moesten inleveren, dat wij onze kinderen naar de Arbeidsdienst moesten laten gaan. Het kwam hierop neer: samen met de Duitsers tegen de Russen te gaan vechten. Die mensen in Zeeland kregen dat te lezen en dat had grote invloed. Omdat er weinig contact was met Holland, hadden de mensen gebrek aan voorlichting.
(Simon Willemse (29-10-1920), Trouw-verspreider Zeeland)


De praktische problemen van het Zeeuwse verzet werden verwoord door een Grijpskerks lid van de Ordedienst, A. de Kam: 'Je kon je neus niet buiten de deur steken of je liep tegen een Duitser op. En elders konden verzetsstrijders alle kanten op, ze zaten niet voor één gat gevangen zoals wij in Walcheren."


Trouw was verweven met LO en LKP. We werkten afzonderlijk, maar maakten wel van elkaars diensten gebruik. Via de verspreiders die wij op de verschillende dorpen hadden, kregen wij ook de adressen van mensen die moesten onderduiken. Aan de andere kant kregen we ook adressen los waar wij onderduikers konden onderbrengen. Toen hebben wij ervaren dat de kracht van de voorlichting en van de contacten op die dorpen enorm was, want toen is het werkelijk op heel grote schaal onderduiken geworden in Zeeland en dat was ontzettend belangrijk.


pag10

onderduikers2

 

Uitspraak:

De vader van professor Doeko Bosscher, die tijdens de oorlog was geïnterneerd, later moest onderduiken en nog maar weinig vertrouwen had in mensen,  zag nog maar twee soorten: ‘mensen bij wie je wel, en mensen bij wie je niet kunt onderduiken’.

pag20


Volgens berekeningen van de Sicherheitsdienst op basis van inbeslaggenomen materiaal van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers telde de provincie in augustus 1944 2490 onderduikers die van deze organisatie afhankelijk waren. Volgens een van de meest vooraanstaande Zeeuwse LO-ers, S. de Vries ('Jan de Wit'). kwamen de meesten die hier waren ondergedoken uit Zeeland zelf . Er waren hier ongeveer vijfhonderd niet-Zeeuwse onderduikers. Naar zijn indruk hadden ongeveer tweeduizend Zeeuwen buiten de provincie een schuilplaats gevonden. Dit betekent dat circa vierduizend Zeeuwen zich uiteindelijk voor de Duitsers verborgen hebben gehouden.


In Zeeland kreeg, evenals in de rest van het land, het verzamelen van inlichtingen een veel grotere prioriteit dan het uitvoeren van sabotageacties. Wanneer het lukte deze gegevens aan de geallieerde autoriteiten door te spelen, was bovendien een effectievere vernietiging van bij voorbeeld Duitse stellingen mogelijk. Het was in zo'n geval wel zaak precies te weten waar de Duitse versterkingen waren aangelegd en waar het Duitse geschut was geplaatst.
Inlichtingen over Duitse militaire activiteiten gaven de geallieerde legerleiding de mogelijkheid hierop een adequate reactie voor te bereiden. Daarom waren gegevens over troepenverplaatsingen, de sterkte van de hier gelegerde onderdelen en scheepsbewegingen in de havens eveneens van groot belang.

Overal fungeerde de LO als de organisatie die eerdere initiatieven bundelde en tot elkaar bracht. Ondanks de vele personele en financiële banden met de Trouw-organisatie ontwikkelde de LO zich ook in Zeeland tot een zelfstandig geheel. Een tijd lang bleef deze echter wel tot Zuid-Beveland beperkt. Op Walcheren was wel hier en daar los van elkaar een aantal initiatieven ontstaan die sterk verbonden waren met het Trouw-werk, maar tot werkelijke onderlinge coördinatie was het lange tijd niet gekomen. In Vlissingen opereerden bij voorbeeld onafhankelijk van elkaar een tijdlang zowel het hoofd van de afdeling bevolking van de gemeente, A. Lokker, als de melkboer W. Poppe. In Middelburg was onder andere de grossier J.P. Maljers actief, terwijl ook de gereformeerde predikant uit Serooskerke, M.W.J.C. de Kluis, op dit terrein het nodige werk verzette. Zeker de laatste twee hadden ook buiten Zeeland hun contacten, waardoor zij over de mogelijkheid beschikten ook daar mensen onder te brengen. Steeds vaker ondervonden de helpers van onderduikers bij het ontwijken van deze maatregelen medewerking van ambtenaren.
Bron: Zeeland 40-45


Onderduiksituatie in Zeeland
Als belangrijkste factor van 'de andere situatie' speelt mee dat grote delen van Zeeland als oorlogsstrategie werden geïnundeerd, waardoor enorme groepen mensen binnen de provincie gedwongen moesten evacueren. Mensen die wat dichterbij de Atlantikwall woonden op Walcheren en in Zeeuws-Vlaanderen, waren ook verplicht te evacueren. Je zou al deze mensen met recht oorlogsvluchtelingen in eigen provincie kunnen noemen.
Lees verder


Italianen ondergedoken op Noord-Beveland
In november 1943 werd een zestigtal mannen naar de Zeeuwse hoofdstad Middelburg gestuurd. Onder hen waren soldaat Gaia en zijn twee maten. Ze dachten dat ze in de hemel terecht, kwamen want op het station waar de gesloten wagons opengingen liepen vrouwen in prachtige klederdracht en kanten mutsen. In verschillende dorpen op Walcheren, o.a. Zoutelande, Westkapelle, Domburg en Serooskerke waren barakkenkampen, waar de mannen werden ondergebracht.
De Italianen werden in de dorpen vriendelijk behandeld door de bevolking. Ze werkten daar onder strikte voorwaarden met Nederlandse burgers samen. Hun werkzaamheden bestonden voornamelijk uit graafwerken op het strand.
Lees het hele verhaal (bron: Gemeente Noord-Beveland)


Tien geboden voor Ondergedokenen
1. Gij zijt gast. Gedraagt u als zoodanig d.w.z. vervult Uw verplichtingen.Niet alleen de eerste week, maar altijd.
2. Uw aanwezigheid is voor het gezin min of meer bezwaarlijk. Handelt dienovereenkomstig.
3. Tracht Uw gastheer en gastvrouw in alles steeds van dienst te zijn. Neemt de vervelende werkjes in de huishouding voor Uw rekening. Voor de huisvrouw is de aanwezigheid van een extra-huisgenoot de zwaarste last:verlicht haar taak. Helpt de kinderen met hun huiswerk.
4. Richt u geheel naar de gebruiken en gewoonten van de huishouding in het bijzonder ten aanzien van eten en slapen. De bijzondere gewoonten van Uw eigen huis zult ge vaarwel moeten zeggen.
5. Laat de sfeer van het gezin ongestoord. Het is te veel gevergd (zeker op den duur) om U in de familiekring op te nemen; gedraagt U alsof ge op kamers bent. Trek U terug in Uw eigen sfeer; (zoo aanwezig) op Uw eigen kamertje, vooral wanneer het gezin 's avonds of op het weekeinde bijeen is.
Bron: Het Parool, 5 april 1943
Lees meer

 

Terug hoofdpagina2