Operatie Infatuate

Het geallieerde opperbevel had de volgende operaties gepland om Walcheren te bevrijden en de zeeweg over de Schelde in handen te krijgen: Operatie Switchback (de Zeeuws-Vlaamse zuidelijke oever van de Scheldemond veroveren), operatie Infatuate I (een landing in Vlissingen vanuit Breskens), operatie Infatuate II (een landing in Westkapelle vanuit Oostende) en de operatie No name (een aanval via de Sloedam vanuit Zuid-Beveland). De operatie Switchback vergde niet vier dagen, zoals gedacht, maar uiteindelijk vier weken.


The plan was for Walcheren to be attacked from two directions simultaneously: an amphibious landing by the commandos of 4 Special Service Brigade, while 52nd Lowland Division and 2nd Canadian Division were to attack along the north bank of the river Scheldt and try to gain access across the causeway from South Beveland. The commandos were to land at two points: 4 Commando at Flushing followed a little later by 41 and 48 Royal Marine Commandos at Westkapelle advancing north and south respectively. Then 47 RM Commando would land and pass through 48 RM Commando aiming to link up with 4 Commando south of Zoutelande. Elements of 52nd Lowland Division would land behind 4 Commando at Flushing and attack the enemy side of the causeway.

Bron: RoyalMarineMuseum (UK)

Voor details ga naar de Walcherenpagina .


Operation Infatuate - Walcheren
Infatuate krtThe island of Walcheren is roughly rectangular in shape, about ten miles long by eight miles broad. The village of Westkapelle lies at the westerly corner, the port of Flushing at the southerly one. The island is low-lying, most of it being below mean sea level. Only the coastal strip of dunes on the northeast and southwest sides, and the eastern most section of the island, are higher than the sea.
The island was heavily fortified. There were coast-defence guns up to 8.7 inch, including a dozen 5.9s. Counter battery fire, aerial bombardment and flooding took care of many of these weapons, particularly in the Flushing area. In the period October 3-17th the heavy bombers of the Royal Air Force made four heavy attacks on the sea dyke of Walcheren, breaching them and allowing the sea to pour in. The island was now like an immersed saucer with only the rim showing.
The first waterborne attack in "Infatuate", the assault on Walcheren, went in against Flushing before daylight on November 1st, when a commando of the 4th Special Service Brigade crossed the West Scheldt from Breskens following a bombing attack by the R.A.F.. Three hundred guns, including those of two Canadian Army Groups Royal Artillery, hammered German defences in the town from across the West Scheldt. The commando was soon ashore and in possession of a bridgehead. The 155th Infantry Brigade now sent a battalion across to assist  in clearing Flushing. Next morning the rest of the Brigade crossed over and one battalion advanced toward Middleburg. On the 3rd the headquarters  of the Flushing garrison was captured, after as advance through deep flood-waters; and by nightfall the city was clear.
Bron: Canadahistory.com


Vliegtuigen van de RAF zouden gaten in de Walcherse dijken bombarderen, waardoor het zeewater zou binnendringen, en eventueel ook een aanval met landingsvaartuigen zou kunnen worden ondemomen. Natuurlijk zou zo'n 'wilde' inundatie ook voor de bevolking veel erger zijn dan een 'tamme'. Meer dan driekwart van het eiland zou onbewoonbaar worden, eb en vloed zouden vrij spel hebben, de huizen vernielen, de vruchtbare bodem verzilten. Maar het alternatief was voor de bevolking evenmin aantrekkelijk: Walcheren zou één groot slagveld worden! Bij een 'wilde' inundatie daarentegen zou de strijd worden beslist in het kustgebied, waar de vijand geïsoleerd zou zijn. Nog voordat Eisenhower het inundatieplan van Simonds had goedgekeurd, had het hoofdkwartier van Montgomery hem verzocht de bevolking door middel van strooibiljetten te waarschuwen: 'Pamfletten moeten de nadruk leggen op het gevaar van overstromingen en aandringen op onmiddellijke evacuatie van de eilanden of, als dit niet mogelijk is, van militaire doelen en laaggelegen gebieden.' Op 2 oktober liet de RAF boven Walcheren een 'Waarschuwing aan bewoners van de eilanden in de monding van de rivier de Schelde' neerdwarrelen. In dit geschrift van meer dan tweehonderd woorden werd het gevaar van overstroming slechts terloops vermeld; het woord 'dijk' kwam er zelfs helemaal niet in voor.


bevel dijkherstel2 waarschuwing geallieerden

Toch stroomde het water niet ver. De Duitsers riepen de bevolking op voor het opwerpen van een nooddijk van klei. Daarmee dachten ze het water te kunnen keren. De Britten waren niet tevreden met de gevolgen van het bombardement op de zeedijk bij Westkapelle. Op 7 en 11 oktober sloeg de Britse luchtmacht nogmaals toe. Toen moesten de dijken ten westen van Vlissingen en  ten oosten van Veere eraan geloven. Pas daarna liep heel Walcheren onder. Middelburg werd een mierenhoop van 40.000 mensen. Ook naar de duingebieden waren de door het water verdreven bewoners gevlucht. De Duitsers moesten als de weerlicht maken dat ze wegkwamen. Bunkers liepen vol water, batterijen artillerie werden onbruikbaar. Toch had het Duitse leger op Walcheren nog sterke 'slagtanden'. In de duinen stond zwaar geschut evenals bij de stad Vlissingen.


DE MAAT DER HUICHELACHTIGHEID
BeFunky poster-inundatie De Rijkscommissaris heeft voor de radio gesproken over het droevige lot van Walcheren en het valt moeilijk te zeggen wie er het hardst gesnikt heeft, zijn toehoorder of hijzelf. Als men ooit al getwijfeld heeft, of Nederland het onder Duitsch bewind eigenlijk wel goed had, dan is deze twijfel opgeheven door een heldere vergelijking tusschen Duitse en geallieerde maatregelen.  Walcheren, zoo moet men uit de woorden van den heer Seyss Inquart afleiden, had best onbeschadigd kunnen blijven. Wel schijnt het, dat er zich enkele Duitsche soldaten met een kanon ophielden, doch wie daarop ziet, is een kniesoor. Een dergelijke, baldadige vernieling als die van de dijken van Walcheren steekt zwart af bij de welhaast weldadige maatregelen der Duitschers. Zie eens naar de inundaties in West- en Midden-Nederland. De boomgaarden zijn verwoest, maar hoogstens een jaar of tien zal voldoende zijn, om nieuwe gaarden te kweeken. Heele en halve steden en dorpen aan de kust werden afgebroken en het sloopmateriaal werd geëxporteerd. Met behulp van de Organisatie Todt bouwen we dat, onder een vijf- of een vijftigjarenplan wel weer op. En wat hindert het, dat onze fabrieken in de lucht vliegen? Dat koekfabrieken en rijstpellerijen aan de Zaan reeds ondermijnd zijn? Een minimale schade en een eminent militair belang! Stelt u zich voor, dat de geallieerden hier maar dadelijk aan het rijstpellen zouden gaan!
Wel waren het dezen keer niet de joden. Walcheren's dijken vielen vermoedelijk ten offer aan de negers. Doch dat de verwoesting zoo grondig geschiedde, dat zelfs Duitsche efficiency er - met hulp van Nederlandsche slaven -  niet in kan slagen de zaak op te lappen, vormt een duistere bladzijde in de historie der demoplutocratie.
Doch er is een groote troost. Onze getroffen landgenooten worden in Zeeland door de Duitschers "zoo goed mogelijk" geholpen. Wat "zoo goed mogelijk" beteekent, weten wij! Zoo goed mogelijk ontstalen de Duitschers ons onze Moord-Hollandsche aardappelen, en lieten ons het rooien der Drentsche industrie-aardappelen over. Zoo goed mogelijk werden onze Limburgsche kolen weggesleept. Zoo goed mogelijk vernielt men kranen en pakhuizen aan de havens. Zoo mogelijk sleept men onze menschen weg. Zoo goed mogelijk berooft men ze door "vorderingen" van hun laatste kleeding, hun laatste dekking. Zoo goed mogelijk ontsteelt men ons onze rijwielen, om ze te sloopen en uit rancune verder te vernielen.
Is de maat dan nog niet vol? De maat van leugen en schijnheiligheid? De maat van knechting en beleediging? De maat der schending onzer jeugd, verslaving onzer volwassenen? De maat van uithongering en verwaarloozing onzer zieken? De maat van het menselijk draagbare? De maat van het voorstelbare beestachtige? Gij wilt een uitgemergeld en verzwakt volk aan uw grenzen, heer Rijkscommissaris. Gij en uw meesters willen dit land met zijn onknechtbaar volk wegvagen - en met de schijnheiligheid van uw volksaard poogt ge steeds nog een soort rechvaardiging te vinden.
Doch weet, dat eens de dag der afrekening komt. Dat eens de dag komt, dat dit volk over Uw grenzen zal spoelen, met de kracht der golven, die Walcheren overspoelden. Dit volk, geslagen en ziek, maar voldoende gesterkt door die  onvergankelijke bron van kracht: de haat aan U en uw meesters; de haat aan alles dat aan U herrinnert, dat uw gelijkenis draagt.
Verschenen in: De Amsterdammer, nr 7 - 30 oktober 1944