Maatregelen

Met Pesach eten we matzes - documentaire over het Joodse leven in Zeeland
Documentairemaker en regisseur Rebecca van Wittene kende de verhalen uit haar eigen familie, haar grootvader was Joods. Bij haar thuis was de oorlog vanzelfsprekend een beladen onderwerp. Toch, aldus Rebecca tijdens de première, voor de oorlog waren er ook vele gelukkige momenten in de familie. Maar, hoewel het nu lang geleden is, de oorlog is nooit echt voorbij.In de film volgt zij een aantal Joodse gezinnen in het vooroorlogse Middelburg, Vlissingen en Zierikzee, tot het moment van de deportatie naar Amsterdam op 24 maart 1942. Deze gezinnen wisten op dat moment niet dat Amsterdam het eindstation niet zou zijn.
Het zijn families die met behoud van hun eigen cultuur volledig in de samenleving waren opgenomen, in een Zeeland zonder joodse scholen en zonder koosjere winkels. Het zijn Joodse Zeeuwen, gelovig en niet gelovig, verspreid over de eilanden. Veelal gewone middenstanders met namen als Polak, Boasson, Labzowski, van Wittene. Handelaren in textiel, metaal & lompen, een slager, een juwelier en ook een bekende wethouder.
Op dinsdag 24 maart 1942, een prachtige, stralende voorjaarsmorgen, lopen zij in Middelburg in colonne naar het station, met niet meer dan zij konden dragen aan bagage en nagekeken door buurtbewoners. In Zierikzee lopen zij door het Vrijpoortje hun gevangenschap tegemoet. De politie doet er alles aan om de uittocht vlekkeloos te laten verlopen. Onthutsend in deze film is de rol die Petrus Dieleman , de pro-Duitse waarnemend Commissaris der Provincie, in de oorlog heeft gespeeld.
Na de bevrijding keren slechts enkele overlevenden terug. In een interview in de PZC (21-01-2013) vertelt Rebecca hoe het haar familie verging: Mijn opa was Joods. Hij was één van de ongeveer 300 Joden die aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog in Zeeland woonden. Ook hij werd met zijn gezin met zes kinderen, waaronder mijn vader als 10-jarige jongen op 24 maart naar Amsterdam gedeporteerd. Haar grootvader en zijn gezin zijn na de oorlog teruggekeerd maar op de namenlijst van de familie van Wittene staan minstens 60 personen die de Holocaust niet hebben overleefd.
Bron: Blog Zeeuws Knoopje

 



bewijs aanmelding In januari 1941 kregen alle Nederlandse joden van de Duitse bezetter de oproep zich voor eind februari te melden bij de kantoren van de bevolkingsregisters. Deze verordening vormde de administratieve grondslag voor de latere deportaties en was een belangrijk controlemiddel bij praktisch alle anti-joodse maatregelen. De ambtenaren van de bevolkingsregisters brachten nauwkeurig in kaart in welke gemeenten de joden woonachtig waren. De Duitsers konden daardoor precies zien wie er voor deportatie in aanmerking kwamen. Elke jood die zich bij de bevolkingsregisters meldde, moest voor de uitreiking van een aanmeldingsbewijs één gulden aan leges betalen. Feitelijk liet de bezetter de joden dus meebetalen aan de deportaties.
Een Middelburgse Jodin beantwoordt de vraag naar het aantal Joodse grootouders met "Twee (of meer, gegevens niet bekend)'. Dergelijke formulieren worden in opdracht van Lentz onmiddellijk geretourneerd naar de burgemeester, met het verzoek zorg te dragen voor een correcte invulling. Bij het Centraal Bureau voor Genealogie in Den Haag is een deel van de betreffende correspondentie bewaard gebleven (collectie Calmeijer). Bij raadpleging daarvan blijkt een viertal Middelburgse families een poging te hebben gedaan om op een of andere manier een volledig en correct antwoord op de cruciale vragen te omzeilen. Tientallen documenten in de collectie Calmeijer maken vervolgens duidelijk dat zij in eerste instantie stuiten op een bastion van Nederlandse ambtenaren die Seyss-lnquarts verordening gezagsge-trouw en buitengewoon nauwkeurig en grondig ten uitvoer brengen.
Bron: Broze burchten

kwitantieaanmelding

firma boasson


Vlissingen

Op 11 juni 1940 leverde de commissaris van politie een lijst van 38 Vlissingse Joden aan de Ortskommandant. Op 8 oktober 1940 moesten alle ambtenaren een ariërverklaring invullen. Op 1 november 1940 werd deze maatregel uitgebreid tot bestuursleden van verenigingen die financiële bijdragen van de lokale overheid ontvingen. Steeds meer maatregelen werden genomen om de Joden verder in een isolement te brengen, van het verbod op ritueel slachten tot het verbod voor Joden om bloed te doneren en het verbod voor Joodse kinderen om deel te nemen aan klassikaal zwemonderwijs: racisme in de meest absurde en weerzinwekkende zin. In januari 1941 werd de lijst van Vlissingse Joden van juni 1940 geactualiseerd met nog een negental namen. In april 1941 moesten de Joden hun radiotoestel inleveren (andere Nederlanders moesten dat pas in 1943); beschadigde apparaten moesten op kosten van de oorspronkelijke eigenaar worden hersteld. Op 2 mei 1941 stuurde de commissaris van politie een lijst van de negen ingeleverde radio's naar Den Haag, compleet met merk en typenummer. In de zomer van 1941 verschenen de borden Verboden voor Joden. Joden mochten niet meer publiek baden in zee-, strand- en zwembaden . Joodse schoolkinderen moesten op afzonderlijke scholen worden bijeengebracht. Alle Vlissingse scholen meldden desgevraagd dat ze geen Joodse leerlingen hadden, behalve de Vereniging voor Bijzonder Lager Onderwijs op Gereformeerde Grondslag. Dit bestuur weigerde om principiële redenen de gevraagde informatie te verstrekken. In 1942 werden de anti-Joodse maatregelen nog uitgebreid;  zo werd het Joden verboden om auto te rijden, te vissen of te telefoneren. Lees meer
Bron: Joods Vlissingen

 

Intussen waren de Boassons natuurlijk ook het voorwerp geweest van alle andere maatregelen tegen de joden, zoals die van een verbod aanjoden om allerlei plaatsen te bezoeken. Aaan alles had de bezetter daarbij gedacht: 'het bezoek aan openbare parken en dierentuinen; het bezoek aan café's en restaurants, met inbegrip van die op stations, alsmede het verblijf in hotels en pensions; het gebruik van slaap- en restauratiewagens; het bezoek aan schouwbur-

 
gen, cabarets, variété's en bioscopen; het bezoek aan sportinrichtingen met inbegrip van zeebaden, overdekte en niet overdekte zwembaden, alsmede het deelnemen aan openbare sportverrichtingen; het deelnemen aan openbare artistieke vertoningen met inbegip van concerten; het verblijf in en het gebruik maken van openbare bibliotheken, leeszalen en musea.' Ook 'het directe of indirecte deelnemen aan openbare markten, met inbegrip van de veemarkten, openbare veilingen en goederenbeurzen, alsmede het betreden van abattoirs.'
Abattoirs. Joden mochten ze niet betreden. Dat zou niet zo blijven.
( J.J. van der Weel, 2004)


Bericht van de Joodse Raad

De Joodse Raad, opgezet als bestuurslichaam voor joodse zaken te Amsterdam, strekte zijn werkzaamheden geleidelijk aan uit over het hele land. In de provincie had hij plaatselijke vertegenwoordigers. Te Middelburg was de uit zijn functie ontheven gemeentearts L. Weijl de contactpersoon. Een van de eerste dagen in maart 1942 ontving dokter Weijl van de Raad de telefonische mededeling dat de in Zeeland wonende joden binnenkort naar Amsterdam zouden moeten verhuizen. Het was een vertrouwelijk bericht, zo werd gezegd, dat alleen diende om de vertegenwoordiger gelegenheid te geven zich op de komende ontwikkeling te beraden. Weijl gaf aan deze doelomschrijving een eigen interpretatie en stelde alle betrokkenen zo vlug mogelijk in kennis van wat te gebeuren stond. Het nieuws was spoedig in te ruime kring bekend, ook de Sicherheitspolizei wist al gauw wat Weijl rondvertelde. Hij werd gearresteerd en in het Huis van Bewaring opgesloten. De arts kende de Middelburgse gevangenis door en door, hij was er jaren lang de behandelende geneesheer geweest, om zo te zeggen een vriend des huizes. Al te zwaar is zijn detentie hem niet gevallen. Na korte tijd liet de Grüne hem trouwens vrij, op voorwaarde dat hij zich in het vervolg onthield van stemming verwekkende praatjes.
Lees meer
Bron: Zeeland 40-45, deel 1


jodenster3 joodse raad1 gebouw Joodse Raad

 Terug hoofdpagina2