Veranderingen in het dagelijks leven

Terug naar hoofdpagina

 

verbodentoegangSperrgebiet
Samen met de Zuidhollandse eilanden werd Zeeland die dag sperrgebiet - verboden gebied. Zij die geen inwoners van Zeeland waren werd het daarmee vrijwel onmogetijk gemaakt de provincie te betreden. Een verblijf moest voortaan via de burgemeester van de te bezoeken gemeente, of via de Commissaris der Provincie wanneer men naar meer dan een gemeente wilde gaan, bij de Duitse Ordnungspolizel in Middelburg worden aangevraagd. Twee ambtenaren hielden zich hier dagelijks mee bezig. Platteeuw meldt: "De reeds lang tevoren bekend gemaakte verbodsbepalingen inzake het reizen naar Zeeland werd opnieuw onder onze aandacht gebracht. De nadruk werd gelegd op het feit, dat gewone bezoeken en vakantiebezoeken bij voorbaat al zouden worden afgewezen. Alleen steekhoudend gemotiveerde aanvragen zouden door hen behandeld worden, aldus de bekendmaking op 17 augustus 1942, die ondertekend was door Schuman, Generaal Majoor der politie."


26 september 1942 trad hier een verandering in op. Het spergebied in Zuid-Holland en Zeeland werd beperkt tot de kustgebieden; wat Zeeland betreft tot Schouwen-Duiveland, Noord-Beveland en Walcheren. De wateren hiertussen bleven, als voordien, evenmin vrij toegankelijk. Toestemming tot betreding van het spergebied werd net als voordien slechts mondjesmaat gegeven. Alleen de Zeeuwen die nu buiten het spergebied waren komen te wonen konden zonder speciale vergunning naar de nog steeds verboden gedeelten van hun provincie reizen; zij hoefden slechts met hun persoonsbewijs aan te tonen dat zij inderdaad in Zeeland woonachtig waren. Bij het instellen van het Sperrgebiet was al gebleken hoe gemakkelijk het voor de Duitsers was om Zeeland af te sluiten. De controle op de toegang was bijzonder eenvoudig: een post langs de weg over de Kreekrakdam- de verbinding tussen Zuid-Beveland en Noord-Brabant - en bewaking van de treinen tussen Woensdrecht en Rilland-Bath was in de meeste gevallen voldoende. De eveneens noodzakelijke controle van de veerdiensten naar en tussen de verschillende eilanden hoefde ook geen problemen op te leveren.
Bron: Zeeland 1940-1945 deel 2, G.v.d. Ham

distr kaart b

 

krantenkop dist1a

 

berichtencollage1a

Voedselvoorziening
Een aardappelhandelaar uit Groede, die een tijd lang voor deze branche in West Zeeuwsch-Vlaanderen een leidende functie uitoefende, zag het juist als zijn taak de voorraden bij de telers altijd zo laag mogelijk op te nemen, opdat zoveel mogelijk clandestien aan particulieren zou kunnen worden doorverkocht. Niettemin was het eigenlijk zijn taak ervoor te zorgen dat de hele voorraad via de distributie werd verspreid. Hij vreesde echter dat dan een groot deel naar Duitsland zou worden verscheept.

In een landelijk, ook in Zeeland verspreid illegaal pamflet uit de zomer van1943 - 'Geen boerenkracht voor 's vijands macht'- werden de boeren opgeroepen zoveel mogelijk van hun opbrengst achter te houden en vervolgens tegen een redelijke prijs van de hand te doen. De bevolking had dat voedsel  broodnodig. De verlokkingen waaraan een boer in zo'n geval was blootgesteld waren echter groot. Maar, zo waarschuwde men, 'zwarte handel, met het doel zichzelf te verrijken, is een ploertig onvaderlandslievend bedrijf.'
Het was vrij gebruikelijk om meer dan een redelijke prijs te vragen. Vooral relatief veel Walcherse boeren probeerden op de zwarte markt hun waren aan de man te brengen, en dus meer geld te vangen. Begin januari 1943 kostte in Aardenburg een kilo tarwe zwart ruim twee gulden, een kilo boter tussen de fl. 25.- en fl. 30,-, eieren drie kwartjes per stuk en een biggetje tegen de honderd gulden. Een nieuwe buitenband voor de fiets moest tussen de tachtig en honderd gulden opbrengen en een binnenband kwam op vijfentwintig gulden. Iets meer dan een jaar later waren de prijzen nog stukken hoger.  Een kilo graan moest inmiddels bijna drie gulden kosten en een kilo boter - een schaars produkt in Zeeland - vijfenveertig gulden.
Bron: Zeeland 1940-1945

 

Fruit tussen vrees en vrede 1940-1945
Nadat Nederland gecapituleerd had op 14 mei 1940 ontbrandde de strijd in Zeeland, met name in Kapelle en Schore. De verdediging van Zeeland was in handen van het Franse 271 Regiment Infanterie. Bij de verovering van Kapelle door de Duitsers, sneuvelden bijna 80

 
Franse soldaten. De boomgaarden boden zowel voor de verdedigers als voor de aanvallers dekking en bescherming. De materiële schade in Schore en Kapelle was aanzienlijk en er vielen ook 5 burgerslachtoffers te betreuren. De bezetters waren in het begin vriendelijk ten opzichte van de bevolking. En de bezetting leek wel mee te vallen. Na het puinruimen kwam het dagelijks leven weer op gang. De bezetter zorgde voor goede prijzen voor het fruit. Men hoorde de fruittelers dan ook niet klagen. Wel ging men, uit voorzorg, meer fruit wecken en drogen dan in voorgaande jaren. Al op 1 januari 1941 werd de gemeente Schore opgeheven en werd het dorp toegevoegd aan de gemeenteKapelle. Het gemeentebestuur van Kapelle wist te voorkomen dat er een NSB-er burgemeester werd door telkens een waarnemend burgemeester te benoemen. Alle geboden en verordeningen van de Duitse bezetter werden, als het mogelijk was, ontdoken.
Bron: SCEZ

 


Van een nijpend tekort was in 1941 nog geen sprake, al dwong de schaarste aan levensmiddelen dehuisvrouwen ertoe een strak beleid te voeren. Zij waren in een zee-landelijke provincie als de onze nog niet geheel en al aangewezen op de afgemeten rantsoenen. Honderden boeren hielpen de stadsmensen tegen civiele prijzen aan aardappelen, groenten, melk en eieren. Ook was er enige aanvoer van vis; men kon in Zeeland mosselenkopen tegen tien cent per kilogram en ongepelde garnalen voor 40 cent het pond.
Zodra het graan genseden was, stortten vrouwen en kinderen zich op het stoppelveld om aren te rapen. Een kilo tarwe leverde zowat anderhalf brood van acht ons op, er waren gezinnen die twintig en meer kilo's raapten. De molenaar nam die klusjes met de grote partijen mee en wie zelf geen oven had, deed een beroep op de bakker die tegen een kleine vergoeding een kostelijk brood zonder bon leverde.
Bron: Zeeland 1940-1945, deel 1



Zoutelande

ZoutelandeDe bezetting is ook een tijd van grote eensgezindheid, hulpvaardigheid en soms zelfs plezier. "Men hielp elkaar waar nodig was en soms leek het wel alsof het hele dorp een grote familie was. Er waren geen daden van verzet, er was geen ondergrondse en er waren geen onderduikers in Zoutelande. Niemand hoefde dus een moeilijke beslissing te nemen en men probeerde zo goed mogelijk de oorlogstijd door te komen in de hoop dat het nu wel snel voorbij zou zijn." (Johanna Kruit in "Zoutelande verhaalt het verleden" 2009: 40)
Er was ook sprake van collaboratie. "Zo waren er ook uit Zoutelande, die in Vlissingen werk vonden bij het in orde brengen van een vliegveld dat moest dienen voor de aanval op Engeland. Zelfs op zondag werd er door 'vrijwilligers' aan dit vliegveld gewerkt, want dat gaf dubbel loon! Anderen hadden geen bezwaar tegen een 'zwart handeltje' met de vijandelijke soldaten die in de duinen gelegerd waren. Er waren zelfs meisjes die zich weldra lieten verleiden tot een zeer vertrouwelijke omgang met de bezetters; dit gaf aan het einde van de oorlog aanleiding tot een soort volksgericht." (A. Dingemanse in Rogier Koppejan 2014: 61) Op de dag van de bevrijding zullen de 'Moffenmeiden' op een wagen worden gezet en kaalgeschoren. "Onder de toeschouwers stonden ook verschillende mensen die hand- en spandiensten voor de Duitsers hadden verricht: landbouwers die hun producten voor woekerprijzen verkochten en materialen met paard en wagen voor de Wehrmacht vervoerden. Ook waren er mannen tussen die bij de bunkerbouw behulpzaam waren geweest." (Kees Adriaanse in "Zoutelande verhaalt het verleden" 2009: 81)
Maar dat er geen daden van verzet zijn, is niet helemaal waar. In augustus 1941 moeten in het hele land bordjes "Verboden voor joden" opgehangen worden bij alle openbare gebouwen. In Zoutelande verschijnen de bordjes bij de café's De Roode Leeuw en Duinzicht in de Langstraat. Tussen de twee café's staat het parochiehuis. Dominee Wim Oosthoek (predikant in Zoutelande van 1933 tot 1948) zet een bordje "Elk ras welkom" voor het raam. Het heeft er zes weken gestaan. De dominee moet verschijnen voor het Landesgericht in Den Haag. Hij wordt veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf. In hoger beroep bij het Obergericht wordt de celstraf vermeerderd met 180 gulden boete en betaling van de  proceskosten. Van dominee Oosthoek is ook bekend dat hij op het station in Middelburg pamfletten met bemoedigende teksten staat uit te delen aan mannen die naar Duitsland vertrekken om daar te werken. Als bijna iedereen op bevel zijn radio heeft ingeleverd, klimt de dominee elke avond naar zijn zolder om naar de Engelse radio te luisteren en de berichten te verspreiden over het dorp.
Bron: Kapitein Otje op zoek naar zeeland  (Foto: Zoutelande in vroeger tijd)


Het leven in de Tweede Wereldoorlog


Ondanks de oorlog gaat het 'normale leven' door. Zo goed en zo kwaad als het gaat. Bruiloften, geboortes van kinderen, Sinterklaasvieringen, iedereen probeert er het beste van te maken.

Bekijk de video

Kind in oorlogstijd
"Ach je maakte er maar het beste van". Een veel gehoorde verzuchting van oudere Zeeuwen als ze het over hun oorlog hebben. In deze aflevering vertelt To van Driel over hoe ze als jonge moeder het probeerde te rooien en Maaike de Wolf beschrijft de perikelen over haar onderjurk. Joop Heijt raakt als schooljongen bevriend met een Duitse soldaat. Een spelletje loopt uit de hand en zet het leven van Joop totaal op z'n kop.

Bekijk de video

Vlissingen wil uitbreiden
Oorlog of niet, het normale leven ging tussen 1940 en 1945 zo lang mogelijk door in Nederland. Zo ook op het stadhuis in Vlissingen. De stad, met in 1939 zo’n 23.000 inwoners, wilde graag de drie randgemeenten annexeren. Maar deze bleven liever zelfstandige 'boerengemeenten'. Om uit deze patstelling te komen, besloot de waarnemend commissaris van de Koningin in Zeeland, mr. Petrus Dieleman, tot een onderzoek. Was annexatie daadwerkelijk nodig? Had de stad een tekort aan ruimte?
Lees verder

 

Op 3 augustus 1942 krijgen de 'Walcherse burgemeesters te horen dat ze 'teneinde de belangen van het maatschappelijke leven zoveel mogelijk te waarborgen’ mensen aan moesten wijzen 'die aan het arbeidsproces geen deel meer hadden of minder gewichtige arbeid verrichtten.' Die mensen moeten geëvacueerd worden. Als toevluchtsoorden worden er een aantal Noord-Brabantse gemeenten aangewezen.
In de week van 10 augustus verlaten ruim 10.000 inwoners van 'Walcheren hun eiland. Ze doen dat per trein, taxi, bus, vrachtwagen of ambulance. In verschillende tehuizen, zoals oudemannen- en -vrouwenhuizen, Kinderzorg Middelburg - waar verwaarloosde kinderen zijn ondergebracht - en in de inrichting Zonneveld in Oostkapelle, een onderkomen voor kinderen met onder meer tbc, huizen mensen die aan het arbeidsproces geen deel hebben. Ook zij moeten weg. Bewoners en personeel van Zonneveld vinden onderdak in Dennenheuvel bij Ossendrecht.
Bron: Bevrijd, maar ...