Onderwijs

Verdreven uit de gebouwen
verwoeste schoolTijd. schoollokaal KoudekerkeHet eerste gebouw, dat de Duitsers vorderden op 7 oktober 1940 was ,,'t Soepuus", dat toen veel meer bekend stond als de spijskokerij, aan de Kleine Kade. Alras volgden enkele scholen, zoals de gemeentelijke kleuterschool aan de Beestenmarkt en de christelijke kleuterschool aan de Bleekerstraat.In 1942 vermeerderde de vordering van gebouwen en de daarmede samenhangende inkwartiering flink. Gevorderd werden: de beide christelijke scholen aan de Westwal, de gemeentelijke ULO aan de Voorstad, de RHBS aan de Albert Joachimikade en de Rijks Landbouwwinterschool aan het Ravelijn. In feite was het in 1944 zo, dat elk openbaar gebouw in Goes gevorderd was. Vooral het onderwijs in Goes was slachtoffer van deze maatregelen.

Het katholieke kleuteronderwijs heeft voor zover wij weten weinig van de oorlog te lijden gehad. Misschien heeft de aanwezigheid van de kloosterorde, die voor het onderwijs zorgdroeg en die in het scholencomplex aan de Vlasmarkt/Wijngaardstraat een kapel bezat, vordering voorkomen. De openbare kleuterschool aan de Beestenmarkt werd ook door de Duitsers in beslag genomen. Op welke wijze dat onderwijs werd voortgezet is ons al evenmin bekend.
De Rijks HBS werd in 1942 gevorderd. Onderwijs werd daarna gegeven in de Rijks Middelbare Land- en Tuinbouw School en in het gebouw van het Zeeuwsch Technisch Instituut aan de Lijnbaan. De Ambachtsschool had met dezelfde moeilijkheden te kampen en kon voor het theorie-onderwijs worden ondergebracht in zaal Krijger aan de Beestenmarkt. Het praktijk-onderwijs vond op diverse lokaties plaats. De Vakschool voor Meisjes werd voor een deel in woonhuizen ondergebracht. Eerst eind 1945 konden de scholen weer de beschikking krijgen over hun gebouwen. Die verkeerden in slechte staat, niet alleen omdat er tijdens de oorlog nauwelijks onderhoudswerkzaamheden aan de gebouwen waren verricht, maar ook omdat ze door de geallieerden kompleet waren uitgewoond.
Bron: De ontzetting van de Goese Gans [Foto links: Terneuzen, door bommen getroffen school; 3 september 1940. Rechts: Vlissingse school wijkt uit naar noodonderkomen in Koudekerke]


Kinderen gaan aan het begin van de oorlog nog zoveel mogelijk naar school. Als het schoolgebouw wordt gevorderd, geeft men les in een kerk of in huis bij een particulier - zoals in Westkapelle, in het huis van de veldwachter. Kees de Kok uit Nieuwdorp maakt op school een angstig moment mee wanneer een vliegtuig neerstort. 'We konden niet meer naar onze school, die was in beslag genomen door de Duitsers. We kregen als het niet te koud was, les op zolder van een huis. Op een dag keek ik naar buiten en zag ineens een vliegtuig heel laag vliegend naar ons toekomen. Het was een Lancaster, vlak voor het dorp stortte het neer en vloog in de brand. Dat was heel angstig.'
Bron: Zeeland 40-45

1941: Op de Kopschool (Terneuzen) werd afweergeschut geplaatst. Dit was weer een school die daarvoor misbruikt werd. Terwijl in de scholen les gegeven werd, stond er boven op het dak een wacht bij de ‘proppenschieter’ om vijandelijke vliegtuigen te kunnen bestoken. Weliswaar moesten de leerlingen van die scholen waar geschut op geplaatst was de lokalen verlaten bij luchtalarm. Ze moesten zich dan begeven naar particuliere adressen, welke tevoren aangewezen waren. Maar wie garandeerde dat er niets gebeurde vóór dat ze de kans kregen om luchtalarm te geven? Ze gaven daar zelf heel weinig om, wat bleek uit diverse krantenberichten. In zo’n geval verklaarden ze immers dat de Engelsen zonder aanwijsbare oorzaak een school gebombardeerd hadden.
Bron: Vijf woelige jaren 


De middelbare schooltijd
Toen de situatie in Vlissingen te gevaarlijk werd, verhuisde de school tijdelijk naar de Middelburgse HBS aan de Spanjaardstraat. De school lag aan de rand van het platgebrande stadscentrum.Toen Jan Bor en ik elkaar met steentjes gooiden, moesten van directeur De Noo, die erg aanggrepen was door de verwoestingen, strafregels schrijven: Ik mag niet gooiten met het puin van het prachtige Middelburg.

Bolhoed
Duits op schoolOm verwarring te voorkomen hadden we ook een eigen schoolalarm. De Dirk verwisselde dan zijn bolhoed voor een stalen helm en blies in de gangen op een koperen spoorwegtoetertje. De leerlingen moesten dan ordelijk naar beneden gaan, naar de stookkelder onder aan het trappenhuis. Alle leerlingen werden dan in de halfdonkere ruimte gestouwd en omdat alle conversatie onverstaanbaar was, begonnen we maar te zingen: (It 's a long way to Tipperary' of ons loflied op de Royal Air Force, op de wijs van het Duitse soldatenlied 'Und wir fahren gegen Engeland'. In de eerste maanden van 1941 zond Radio Oranie van de BBC eenmaal per week het cabaretprogramma 'De Watergeus' uit. Jetje van Oranje (Jetty Perl) zong hierin op de wijs van bekende schlagers spotliedjes op de Duitsers en de N.S.B. Wij probeerden thuis bij de radio zoveel mogelijk de tekst op te vangen, wat door het gejammer van de stoorzenders niet meeviel. Op school pasten we de brokstukken aan elkaar tot we de volledige tekst hadden. Als Willem Keyn dan op straat voor de school op zijn piano de betreffende melodie speelde, zong of neuriede de hele klas mee, al naar gelang welke leraar we hadden. Zoiets bleef naruurlilk niet onopgemerkt en Willem Keyn werd dan ook op 2 april 1941 op last van de Sicherheitspolizei uit Vlissingen verbannen wegens het op straat ten gehore brengen van vaderlandse liederen.
Bron: De dokter en de oorlog.
Lees het hele verhaal.

 

Middelburg: De scholen bleven open, al werd ons schoolgebouw later door de Duitsers gevorderd, zodat wij les kregen in allerlei geïmproviseerde lokaaltjes, verspreid door de stad. Ook werden de scholen in de winter wegens gebrek aan brandstoffen wel eens voor een tijdje gesloten. Enkele maanden voor de bevrijding eindigden voor mijn klas de lessen. Sport op de sportvelden werd al langer niet meer bedreven. In die voor hem netelige situatie behielp onze gymnastiekleraar zich door ons het internationale hockeyreglement te laten bestuderen. Eindelijk kreeg ik toen een goed cijfer voor gymnastiek.
( J.J. van der Weel, 2004)


Overheidsmaatregelen en -bemoeienis

Rijkscommissaris Seyss-Inquart achtte het het verstandigst veranderingen in het onderwijs zo geruisloos mogelijk, en dus door de Nederlandse overheid te laten uitvoeren. In november 1940 had hij om die reden een nieuwe secretaris-generaal op het Departement van Onderwijs aangesteld, de Amsterdamse hoogleraar prof. J. van Dam, uitgesproken pro-Duits. Zijn voornaamste doel was om door het geleidelijk opheffen van de bijzondere scholen, resultaat van de jarenlange 'schoolstrijd' en paradepaardje van de diverse kerkgenootschappen, te komen tot één enkele schoolsoort.
Lees verder.

 schooltekst 1943schoolklas1

Anti-Duits?
Leerkrachten die aan een openbare school verbonden waren, waren kwetsbaarder dan hun collega's bij het bijzonder onderwijs. Dit bleek onder andere wanneer kroost van NSB-leden thuis vertelde over voorvallen op school waaruit een anti-Duitse houding van leerkrachten kon worden opgemaakt. Sommige leerlingen, zoals een dochter van WA-leider Ko Dekker, hielden zelfs in een notitieboekje keurig alle uitspraken bij van hun leraar, en wellicht ook van mede-leerlingen. Hun vaders zorgden er dan voor dat dit geklik ter ore van bij voorbeeld Beauftragte Münzer kwam, aan wie het dan was om maatregelen te nemen.
Lees verder.


Weerbericht als dictee
De schoolbesturen werden bovendien geplaagd door allerlei maatregelen van de bezetter betreffende het onderwijs zelf. In 1940 al werden zij verplicht bepaalde door de bezetter afgekeurde boeken uit hun onderwijspakketten te halen. In andere moesten anti-Duitse uitlatingen verwijderd worden. Zo ontkwam het zangbundeltje,, Kun je nog zingen, zing dan mee", waarin nog al wat vaderlandse liederen voorkwamen niet aan dat lot. Lagere scholen werden verplicht lessen in Duitse taal te geven. Boekjes werden daarvoor gratis verstrekt. Vrijwel alle scholen negeerden deze verplichting.
De meest merkwaardige vorm van overheidsbemoeienis met de inhoudelijke kant van het onderwijs is wellicht een circulaire van het Departement van Volksopvoeding uit 1943 waarin het onderwijzend personeel werd opgewekt om de boeren behulpzaam te zijn. Alle radio's waren namelijk kort te voren ingeleverd, aIthans daarvan ging het departement uit. Zo konden de boeren niet meer op de hoogte komen van de weersverwachting van het K.N.M.I. Het departement beval de schoolhoofden aan kontakt op te nemen met de burgemeester of de commissaris van politie. Die konden deze berichten beluisteren en doorgeven aan de scholen waarna de onderwijzers het weerbericht in dicteevorm aan de kinderen konden opgeven. Het dictee zou dan aan de ouders gegeven kunnen worden.
Gymnastiek, schoolartsen en verzuim
Per 1 januari 1941 werd het gymnastiekonderwijs voor alle scholen verplicht gesteld. De uitvoering van die maatregel kon niet anders dan onder grote moeilijkheden tot stand komen. Het aantal gymnastieklokalen was volstrekt onvoldoende. Gymschoenen waren nauwelijks te krijgen. Via de distributie trachtte men in die leemte te voorzien.
In 1942 trachtte de Nederlandse Volksdienst de schooltandverzorgingsdienst en de schoolartsendienst te bevorderen. Reden voor de bijzondere schoolbesturen om zelf een schoolarts in dienst te nemen. Waarnemend commissaris van Zeeland, Dieleman, nam dat niet. De arts kreeg de mededeling zich te melden bij het Arbeidsbureau voor uitzending naar Duitsland, indien hij de betrekking zou aanvaarden. Hij nam die niet aan.
In datzelfde jaar startte men van overheidswege met de verstrekking van vitamine C-tabletten. Dat vatte men op als een maatregel van Duitse kant. Het bestuur van de Hervormde schoolvereniging weigerde medewerking en vond, dat de tabletten maar via de distributiedienst moesten worden verspreid. Het bestuur van de chr. nationale school liet de beslissing aan de ouders over.
Naarmate de oorlog vorderde kregen de onderwijsinstanties te maken met een sterk toenemend schoolverzuim, vooral van de kinderen die van buiten Goes kwamen. Oorzaken: gebrek aan kleding en schoeisel en gebrek aan fietsbanden. Doch ook de Goese kinderen lieten zich niet onbetuigd. In 1940 kreeg de commissie tot wering van schoolverzuim 19 gevallen van ongeoorloofd verzuim te behandelen. In 1941 waren dat er 55. Als redenen werd opgegeven: het niet opgeven van ziekte aan de schoolleiding, het helpen van moeder in de huishouding en spijbelen. In 1942 werden er l15 gevallen behandeld. De redenen waren dezelfde en er werd er nog één aan toegevoegd: gebrek aan schoeisel. In 1943 was dat aantal gestegen tot 401. Gebrek aan schoeisel én kleding alsmede het lezen van aren en het rapen van aardappelen waren de hoofdoorzaken van het verzuim. In de eerste vijf maanden van 1944 waren er al 300 gevallen van schoolverzuim aan de orde geweest. Na Dolle Dinsdag kwam er van een geregeld onderwijs niet veel meer terecht.
Bron: Ontzetting van de Goese Gans


 

schooltekst 1944Onderwijs te Koudekerke
Ingaande 24 Januari jl. (1945) is met het onderwijs een aanvang gemaakt. Er zijn nog plusminus 110 leerlingen die de school kunnen bezoeken. Na gepleegd overleg met de besturen der beide bijzondere scholen alhier is het burgmeester en wethouders gelukt een samenwerking te bereiken. Alle kinderen zijn in één schoolverband ondergebracht in drie lokalen der voormalige openbare lagere school. Als hoofd treedt op het hoofd der openbare lagere school, verder is er een onderwijzer van de bijzondere lagere school op Gereformeerde Grondslag en een onderwijzeres van de Ned. Hervormde School. Het onderwijs in het vak Bijbelsche geschiedenis is verzekerd.
Lees hier verder wat burgemeester Dregmans rapporteert.


1945-1946

Eede noodschoolNet als in Zeeuws-Vlaanderen waren ook op Duiveland bepaalde dorpen langer geïsoleerd dan andere. De gevolgen van het eilandelijke isolement dienden zich aan: het was hier nog moeilijker dan elders om aan schoolmeesters tekomen. In het naar verhouding zwaar getroffen Bruinisse liepen in oktober '45 de kinderen nog op straat bij gebrek aan een school. Een halfjaar later stond de hoofdonderwijzer van de openbare school er in zijn eentje voor 104 leerlingen. Hlj zag de 'opvoedingstoestand' van de jeugd sombe rin en pleitte voor een toelage voor onderwijzers in de 'geteisterde gebieden'. Het afgelegen Schouwen-Duiveland was toch al niet aantrekkelijk voor vestiging van onderwijzers en artsen - onder meer door het ontbreken van een Lyceum voor hun kinderen op het eiland. De moeilijke bereikbaarheid en de inundatieschade maakten het nog minder populair als standplaats.
Het gebrek aan onderwijzers speelde ook sterk in Tholen en Zeeuws-Vlaanderen. Samen met Schouwen-Duiveland telde het openbaar onderwijser medio '46 eenendertig vacatures, sommige langer dan een jaar. De scholen waren vooral in Zeeuws-.Vlaanderen slecht en zolang de veren beperkt functioneerden, was er weinig hoop op een toestroom van onderwijskrachten.Het bezoek van een aantal onderwijsautoriteiten aan Zeeuws-Vlaanderen in het voorjaar van 1946 leverde vooralsnog weinig resultaat op. De Vereniging van Burgemeesters en Secretarissen inZeeuws-Vlaanderen verzocht de Minister in de zomer van '46 dan ook niet alleen om moderne bussen en een verbeterde weg tussen het Oostelijken het Westelijk deel, maar ook om salaristoeslag voor onderwijzers in hun regio. Het verzuim van schooltijden lag er hoger dan het voor 1940 gelegen had!
Bron: Zeeland 1945-1950

Foto: Er worden voorlopige noodwoningen -scholen en -kerken neergezet. In Eede wordt de noodschool geleid door meester Roos (ofschoon hij naar verluidt niet zo goed is in orde houden).