Nach Walcheren abkommandiert

Ervaringen van Duitse militairen op Walcheren 1940-1944

Militairen van de Duitse Wehrmacht op Walcheren: Ze kwamen en gingen, waren voortdurend onderwerp van onze gesprekken, maar hoe ze op ons eiland leefden, werkten, dachten, we weten er maar weinig van. Dat komt onder andere omdat tussen hen en ons in die jaren een grote mate van afstand bestond: met de bezetter sprak je niet, of alleen in uiterste noodzaak. Jules Braat wilde meer weten over hun ervaringen en ondernam actie. Hij legde contacten met soldaten van de voormalige bezetter en publiceerde een aantal van hun reacties in De Wete. Zoals het verhaal van Alfons Friedrich, lid van de 65ste Infanterie Division.

Soldaten"Op 15 oktober 1942 zagen we vanaf de duinen bij Zoutelande voor het eerst de Noordzee. Onze groep was ondergebracht in een huisje op het duin, schuin tegenover de kerk. We moesten ter plaatse de kust bewaken. Het landschap voldeed geheel aan mijn verwachtingen: als kind had ik op cacaobusjes wel eens het Nederlandse landschap gezien: groene weiden, windmolens, koeien en klederdrachten. Ik wenste toen dat ooit eens te zien. Nou, die wens is op een merkwaardige manier vervuld. De idylle werd wel verstoord door onze uniformen, wapens, prikkeldraad en bunkers! Van de oorlog merkten we weinig, alleen tijdens Pinksteren 1943 was er een Flakkanonnade tegen Engelse bommenwerpers, die de kust bij Westkapelle naderden. Eén werd er neergeschoten, de andere zwenkten af.
De bevolking gedroeg zich afstandelijk maar niet vijandig. In de winkels was Erdal-schoensmeer te koop; de ene winkeljuffrouw verkocht het aan ons, de andere niet. Ik heb nog steeds een Kompas Toeristenatlas van Nederland, gekocht voor 85 cent. Na een maand Zoutelande gingen we naar Westkapelle. Daar lag ik in een barak tussen de school en de molen. Ons wachtlokaal lag in de hoofdstraat tegenover een wagenmaker. We moesten daar dag en nacht op wacht staan en ’s nachts patrouille lopen. Naast ons wachtlokaal lag het gemeentehuis; daar zaten ’s nachts altijd enige Nederlanders (bewakingspersoneel, Br.). We gingen daar nogal eens heen en lieten dan de Nederlanders op radio Londen afstemmen, één Nederlander stond dan op de uitkijk.
Vrije tijd hadden we weinig. Onze meerderen zeiden: een Duitse soldaat heeft altijd dienst. We wasten of verstelden onze kleding, schreven brieven of gingen aan het strand mossels zoeken. Soms konden we in een ondergrondse zaal van de Marineartillerie naar een film kijken, ook was er wel eens een gezelschap met muziek en zang. We kregen regelmatig de krant Wacht am Kanal.
Ik ben één keer met verlof geweest. Van Middelburg reisde ik naar Maastricht, vandaar met een verlofgangerstrein richting Koningsbergen, die ook in Breslau stopte. Als geschenk voor thuis had ik enkele kilo’s meel bij me, die ik bij de molenaar in Westkapelle had gekocht."
Bron: De Wete 26e jrg nr 4, oktober 1997
U kunt het volledige artikel hier vinden.


Mijnenveld duinen

Duits geschut Vliss 1940

Westkapelle 1944 troepenwisseling

 

 

Westkapelle Duitsers 1944

 

 

Mijnenveld en Duits geschut bij Vlissingen  Westkapelle: troepenwisseling 1944
 
Inkopen doen in Westkapelle

Wir fahren gegen Engeland

,,Mit Flissingen, 200 kilometer von Londen", aldus triomphantelijk, de Duitse telefoniste, in een gesprek met Duisburg, Het is 200 kilometer voor hen gebleven! gegenEngelandWant ondanks de bluf der Duitse officieren, die in de eerste dagen op het terras van een Boulevard-restaurant snoefden: ,,Over 14 dagen drinken we thee in Londen", en ondanks de voorbarigheid der Duitse legerautoriteiten, de verlofgangers een adres mede te geven waar ze zich te Londen konden vervoegen bij terugkomst, bleef Londen 200 kilometer van hen verwijderd. De wijde plas werd niet overgestoken, al zongen de marcherende Duitsers: ,,Wir fahren gegen Engeland". Ook de Duitse radio ,,voer" alsmaar. Geen wonder dat een juffrouw in een winkel een Duits militair voorrang verleende met de woorden: ,,Mijnheer heeft haast, moet nog naar Engeland".
Lees verder.

Bron: A. Korteweg 'Oorlog aan de Schelde-mond'


 

Op 20 juli 1940 vaardigde de Kriegsmarine een verordening uit dat in Duitsland, Nederland en België 3000 schepen gevorderd moesten worden. Binnen enkele weken werden 700-800 schippers met hun gezinnen van hun schepen gezet. Daarna werden de schepen naar diverse werven gebracht. Daar werd het voorschip eraf gebrand en werd er een klep ingezet; gekopt heette dat. In het ruim werd beton gestort zodat rollend materieel in- en uitgeladen kon worden. Het plan was dat er een schijnaanval zou komen op de oostkust van Engeland, terwijl een grote invasie zou plaatsvinden op de zuidkust. Daar waren veel schepen voor nodig.
Lees verder
gegenEngeland2
Bron: website van ms DE CORNELIA 

 

>Verhaal

Soldaten op het einde van de oorlog


 

De eerste grootscheepse inbeslag- names begonnen in september 1940, toen de Duitsers een grote aanval op Groot-Brittannië over zee hadden gepland: Operatie Seelöwe.

 
  In Duitsland, Frankrijk, België en Nederland werden rond de duizend schepen per land gevorderd. Bij de meeste vorderingen had de schipper de keus om op het schip te blijven en voor de Duitsers te varen of aan wal te gaan, maar bij vorderingen voor Operatie Seelöwe kreeg de schipper deze keuze niet: ze werden binnen 24 uur van boord gezet. De uitvalsbasis van de operatie was Vlissingen, maar voordat de binnenvaartschepen ingezet konden worden moesten ze eerst geïnspecteerd en oorlogsklaar gemaakt worden voor de aanval over zee. 
E.M. Neuerburg had als medewerker van de Scheepvaartinspectie van het Departement van Waterstaat de taak om alle schepen te taxeren. Na de vordering en taxatie, met de afhandeling van het papierwerk van vorderingsbewijzen, werden de schepen omgebouwd: de voorkant van de schepen werden eraf gehaald en vervangen door een laadklep, zodat voertuigen en soldaten op een snelle manier het schip konden binnenkomen en verlaten.
Lees verder
Bron: Tussen wal en schip, 2014 (masterscriptie Maarten M. Stolz)


Hans, Duitse soldaat, 20 jaar: "lk zat midden oktober 1942 nog in België toen het bevel kwam dat we weg moesten naar Nederland. Twee of drie dagen waren we onderweg, toen kwamen we in Westkapelle aan. We waren met 150 soldaten en 120 paarden met voertuigen en kanonnen. We zagen de vuurtoren en hoorden het ruisen van de zee. Voor ons mensen uit het zuiden van Duitsland was dat een andere wereld. De paarden kwamen in stallen en leegstaande schuurtjes terecht. We hadden genoeg te eten en in de kantine dronken we volop wijn en bier. Op die manier was het voor ons soldaten dus een heerlijke tijd."
Bron: Walcheren 40/45




1943 wachtpost mil hopitaal Duitse militairen Arnemuiden  oorlogkiekje oostkapelle
1943: Wachtpost Mil. hospitaal Middelburg Duitse militairen in Arnemuiden  Oostkapelle

Oorlogsslachtoffers
foto Duitse slachtoffers 2Vrijwel alle Duitse militairen die in Zeeland om het leven komen worden op het Ehrenfriedhof te Vlissingen ter aarde besteld. Voor dit doel is op de Noorderbegraafplaats een apart gedeelte beschikbaar gesteld. Boven de Zeeuwse eilanden gesneuvelde Britse vliegers vinden in een afgescheiden ,,vak" hun laatste rustplaats waarbij aanvankelijk hetzelfde eerbetoon wordt toegepast als bij de eigen verliezen.
Op 16 september 1941 vindt een dergelijke plechtigheid plaats. Het lichaam van een bij Wissenkerke aangespoelde Duitse vlieger wordt met militair eerbetoon ,,beërdigt". Kort daarop volgt de begrafenis van twee geallieerde vliegers van wie de stoffelijke resten respectievelijk 14 en 15 september op de Zeeuwse kust zijn aangespoeld. Na een gebed van de aalmoezenier de saluutschoten van het vuurpeloton en het plaatsen van bloemenkransen treft vriend en vijand, op korte afstand van elkaar, hetzelfde lot: een eenvoudig graf , ,,far from home" en ver van de ,,Heimat", in vreemde Walcherse grond.
Eind december 1941 liggen op de begraafplaats in Vlissingen 48 geallieerde vliegers en 116 Duitse militairen van land-, zee- en luchtmacht.
Bron: Walcheren 1939-1945


Soldaten naar de dorpen

Begin augustus 1942 werd het aantal soldaten aan de kust vergroot; naar midden-Zeeland kwam een divisie infanterie, ongeveer 17.000 manschappen. Tweederde van de mannen werd gelegerd op Walcheren, de meesten in de dorpen aan en vlak achter de kust. De anderen gingen grotendeels naar Zuíd-Beveland. Verder lagen in Zeeland, vooral op Walcheren, ruim 1.500 manschappen van de Kriegsmarine voor het bedienen van de kustbatterijen en het luchtafweergeschut. In het eerste jaar kwamen er ook groepen jonge mannen van de Reichsarbeitsdienst voor het bouwen van barakken en kleine versterkingen.  Voor al deze mannen was woonruimte nodig. De Duitse legerleiding besloot dat "vanwege het gevaar voor de bevolking" 15.000 Walchenaars - 22 procent van de bevolking - moest evacueren. Op 3 augustus 1942 berichtte plaatsvervangend commissaris Dieleman dit aan de burgemeesters.
 
De lijsten moesten binnen drie dagen klaar zijn en de mensen moesten binnen twee weken vertrekken. Wie niet zelf buiten Zeeland onderdak kon vinden, kreeg een plaats toegewezen in Noord-Brabant beoosten Roosendaal. Lang niet alle evacués lieten een leeg huis achter, maar er kwam toch woonruimte vrij. In dorpen met een flinke bezetting werden nogal wat huizen gevorderd voor de soldaten. In Grijpskerke bijvoorbeeld waren in november 1943 ongeveer vijftig van de 220 huizen in beslag genomen. Het bericht dat een 'aanzienlijk aantal' inwoners weg moest, sloeg in als een bom. Wie moest gaan? Aanvankelijk werd gesteld dat het ging om alle Walchenaars die niet werkzaam waren in de landbouw. Al snel bleek dat het vertrek van onderwijzers, ambachtslieden, winkeliers en predikanten de samenleving te sterk ontregelen zou.
Bron: Eilandbewoners

 

Terug hoofdpagina klein