Distributie

titelfoto distributie

De indruk bestaat bij velen dat Nederland totaal onvoorbereid in mei 1940 in de oorlog verzeild raakte. Die indruk is niet helemaal terecht en voor zover het de voedselvoorziening betrof helemaal niet. Al op 1 april 1937 was het Rijksbureau voor de Voorbereiding van de Voedselvoorziening in Oorlogstijd ingesteld  Het probleem van de voedseldistributie moest van twee kanten worden aangepakt, de productie en de consumptie. De bedoeling was om Nederland in oorlogstijd zoveel mogelijk zelfvoorzienend te maken. Dat hield in de praktijk in dat er bijvoorbeeld meer akkers met graan en aardappels moesten worden bebouwd en dat daar zelfs grasland aan werd opgeofferd. In de consumptie voorzag het stelsel met bonkaarten. Toen de bezetting begon was in principe alles al bedacht en er was zelfs al mee geëxperimenteerd. De bonkaarten lagen klaar en de pakhuizen waren in de voorgaande jaren goed gevuld door extra inkopen.

Bron: Oneindig Noord-Holland


 

Het Centraal Distributiekantoor (CDK) werd ingesteld op 30 augustus 1939 en werd belast met de distributie van levensmiddelen voor de bevolking in oorlogstijd. Aanvankelijk ging het om een beperkt aantal producten, maar in de jaren 1944-1947 regelde het CDK de distributie van nagenoeg alle levensmiddelen. Het CDK ontwikkelde zich tot een omvangrijke organisatie. Vanaf 1946 werd de organisatie geleidelijk ontmanteld. In 1950 werd het laatste distributiegoed, koffie, vrijgegeven. Het CDK was niet alleen verantwoordelijk voor de organisatie en uitvoering van de distributie, maar moest ook prijsopdrijving en hamsteren tegengaan en voorlichting geven aan instanties en burgers over de distributie. Grondslag van het systeem vormde de distributiestamkaart die iedereen (in 1939 en 1944) kreeg die in de bevolkingsboekhouding was opgenomen. Met behulp van de stamkaart kon men bonkaarten krijgen die recht gaven op de aankoop van bepaalde hoeveelheden van bepaalde artikelen. Daarbij golden toeslagen voor allerlei bijzondere omstandigheden (zware arbeid, zwangerschap, ziekte).
Bron Nat. Archief

distri bericht2  nood distri kaart

De distributie Stamkaart is tevens het bewijs van opneming in het bevolkingsregister. Deze Stamkaart werd ingevoerd met ingang van september 1939 en was grijs van kleur met blauwe opschriften en lijnen. De stamkaart was geen bonkaart, maar het basisdocument van de distributie, waarop bonkaarten , aanvraagformulieren en persoonsbewijs konden worden verstrekt cq. aangereikt. Deze uitreikingen werden door middel van een aantekening, code of stempel in één van de 297 vierkantjes op deze kaart aangetekend. Later kwamen er ook nog inlegvellen bij die in de stamkaart werden vastgeniet.
Iedereen (baby's niet uitgezonderd) die ingeschreven was, of bij de geboorte werd ingeschreven, kreeg via de ambtenaar van de burgerlijke stand een stamkaart uitgereikt Bij wijze van proef kwam in het najaar van 1939 de suiker op de bon. De rantsoenen waren zeer ruim en suiker was toch min of meer een luxe artikel en werd zeer matig gebruikt.

In de kranten en op affiches kan men zien welke bonnen wanneer geldig zijn. Winkeliers moeten de ingeleverde bonnen weer inleveren. Pas dan krijgen ze weer recht op nieuwe voorraad. Het systeem wordt steeds ingewikkelder, en de voorraden steeds geringer. Toch zorgt de distributie ervoor dat de mensen niet ondervoed raken, of in de kou komen te zitten. Pas in de beruchte hongerwinter gaat het helemaal fout.
Bezuinigingsspotjes
Om nijpende tekorten zoveel mogelijk vóór te zijn, wordt de bevolking opgeroepen zuinig met voedsel en energie om te gaan. Negen spotjes die in 1943 werden gemaakt voor vertoning in de bioscopen, zijn bewaard gebleven. U kunt ze hier bekijken.

Bron: Andere tijden


Op de bon

Al vrij kort na de Duitse bezetting kwamen levensmiddelen als eerste op de bon. Voor bijna al het dagelijkse basisvoedsel waren er aparte delen op deze bonkaarten , voor bijvoorbeeld vlees, brood, boter, melk en aardappelen. Ook waren op deze bonkaarten bonnen voor 'algemeen' of 'reserve' en deze werden dan aangewezen voor bijvoorbeeld stroop. Aparte kaarten waren er voor goederen zoals textiel, brandstof, groente, fruit, vis, tabak, versnaperingen, vet en petroleum. Bonkaarten werden uitgereikt naar bepaalde leeftijdsgroepen en geslacht, bijvoorbeeld voor meisjes tot vier jaar, of voor mannen van 21 jaar en ouder.

distri 3

kleding bericht

Adv juni 1940

distri 4

Adv kolen distributie distr brood

De bonkaarten waren in verschillende soorten ingedeeld naar leeftijd:
A-kaarten voor personen van 20 jaar en ouder
B-kaarten voor personen van 14 tot 20 jaar
C-kaarten voor personen van 6 tot 14 jaar
D-kaarten voor personen van 2 tot 6 jaar
E-kaarten voor personen van 0 tot 2 jaar.
groentebonnenIedereen kreeg of een rookkaart of een snoepkaart of een rook/snoepkaart per leeftijd, één keer per jaar werden kolenkaarten uitgereikt: één per gezin, mijnwerkers uitgesloten. Zwangere vrouwen kregen extra voedselbonnen op attest van de vroedvrouw. De boeren werden als zelfverzorgers beschouwd en van hun bonkaarten werden bij de uitgave de melk en vleesbonnen (of brood) afgeknipt en ongeldig gemaakt. Er was een aparte buitendienst voor aanvragen van bonnen voor schoenen en textiel; deze dienst was altijd samen met de uitreiking van bonkaarten
Veel artikelen (geen levensmiddelen) moesten apart worden aangevraagd, zoals fietsbanden, schoenen, porcelein en glas.

De huismoeders hielden de geldigheidsduur van de bonnen bij en bewaarden de stamkaarten, distributiebonnen en verzekeringspolissen zorgvuldig in een tas, die in geval van een luchtalarm werd meegenomen naar de schuilkelder. Bij het boodschappen doen hadden de huisvrouwen meestal een etuitje (van papier) waarin de geldige bonnen werden bewaard. De bonkaarten bleven thuis. Het uitreiken van de bonkaarten gebeurde veelal in het gemeentehuis, soms ook in de harmoniezaal.
Hier zaten de distributieambtenaren achter een tafeltje waarop de nieuwe distributie- bonkaarten met dezelfde soorten op stapeltjes lagen. De afgehaalde bonkaarten werden in een code op de stamkaart afgetekend.
bron: www.geulle.com

 

Wanneer gingen welke goederen op de bon ?

Juni 1940 Brood, bloem, koffie, thee, textiel, schoenen
Juli 1940 Grutterswaren, boter, margarine, spijsvetten
Augustus 1940 Zeep
September 1940 Vlees en vleeswaren
Oktober 1940 Kaas
November 1940 Eieren, koek, gebak, aardewerk, glazen voorwerpen, elektrische artikelen
Januari 1941 Lucifers
April 1941 Melk en aardappelen
 Juli 1941 Jam en puree
 November 1941  Cacao en cacaoproducten
 Mei 1942  Tabaksproducten en versnaperingen
 September 1942  Taptemelk
 December 1942  Appelen en zuidvruchten
 Mei 1943  Alle surrogaten
Augustus 1943 Groenten en fruit
 September 1943  Alle huishoudelijke gebruiksvoorwerpen
 Juli 1944  Alle soorten vis

bonkaarten div2 suikerbon distibutie 1

Tweede distributiestamkaart
In februari 1944 werd een nieuwe stamkaart uitgereikt. Die was alleen te verkrijgen voor personen die zich met een geldig persoonsbewijs meldden. Voor onderduikers was dit onmogelijk en deze Duitse maatregel was ook bedoeld om hen “uit te roken”. De grote onrust die daarover bij ondergedoken Nederlanders ontstond, bleek uiteindelijk onterecht. Louwes (aanvankelijk Hoofd Rijksbureau voor de Voorbereiding van de Voedselvoorziening in Oorlogstijd), die gedurende de gehele oorlog de nationale leiding hield bij de distributie, wist het voor elkaar te krijgen dat het Duitse plan om de uitreiking van de stamkaart te laten controleren door medewerkers van de Sicherheitsdienst, ongedaan werd gemaakt. Hierdoor kwam de poort wagenwijd open te staan om door samenwerking tussen “goede” ambtenaren van de distributiedienst en het verzet deze maatregel te saboteren. In Haarlem lukte het 250 blanco stamkaarten apart te houden die voor onderduikers gebruikt konden worden. Bovendien werd de tweede distributiestamkaart door allerlei vertragingen pas in juni 1944 verplicht gesteld. Tegen die tijd hadden de Duitsers hun hoofd bij het voor hen ongunstige verloop van de oorlog. Aan controle op de stamkaarten kwamen ze niet meer toe
Uit: Oneindig Noord-Holland

tw distr kaart voor en achterrzijde

Begin 1944 werden nieuwe distributiestamkaarten aan de bevolking uitgereikt. Dit was een kaart waarop iemands naam stond en die men nodig had bij het ophalen van de distributiebonnen. Op de kaart werd dan aangekruist welke bonnen er afgegeven waren door het distributiekantoor. Bij het afgeven van deze nieuwe stamkaart werd een controlezegel in het persoonsbewijs geplakt, de zogenaamde Rauterzegel. Onderduikers konden zelf zo niet meer aan bonnen komen, omdat ze dan hun persoonsbewijs moesten tonen (dat ze niet hadden of waarop ze als Jood geregistreerd stonden). Anderen konden deze bonnen dan niet langer voor hen halen, omdat ze dankzij de zegeltjes slechts één stamkaart per keer konden ontvangen. rauterzegeltjeOp deze manier hoopte Höhere SS-und Polizeiführer Hanns Rauter dat er minder bonkaarten beschikbaar zouden komen voor onderduikers, zodat een gedeelte van hen zich vanwege de voedselschaarste genoodzaakt zag aan te geven. De invoering van de Rauterzegeltjes zadelde de onderduikhulp op met een groot probleem.

Bron: Traces of war

 


Voedselvoorziening

Een aardappelhandelaar uit Groede, die een tijd lang voor deze branche in West Zeeuwsch-Vlaanderen een leidende functie uitoefende, zag het juist als zijn taak de voorraden bij de telers altijd zo laag mogelijk op te nemen, opdat zoveel mogelijk clandestien aan particulieren zou kunnen worden doorverkocht. Niettemin was het eigenlijk zijn taak ervoor te zorgen dat de hele voorraad via de distributie werd verspreid. Hij vreesde echter dat dan een groot deel naar Duitsland zou worden verscheept.

aardappelen louwes.original

In een landelijk, ook in Zeeland verspreid illegaal pamflet uit de zomer van1943 - 'Geen boerenkracht voor 's vijands macht'- werden de boeren opgeroepen zoveel mogelijk van hun opbrengst achter te houden en vervolgens tegen een redelijke prijs van de hand te doen. De bevolking had dat voedsel  broodnodig. De verlokkingen waaraan een boer in zo'n geval was blootgesteld waren echter groot. Maar, zo waarschuwde men, 'zwarte handel, met het doel zichzelf te verrijken, is een ploertig onvaderlandslievend bedrijf.'
Het was vrij gebruikelijk om meer dan een redelijke prijs te vragen. Vooral relatief veel Walcherse boeren probeerden op de zwarte markt hun waren aan de man te brengen, en dus meer geld te vangen. Begin januari 1943 kostte in Aardenburg een kilo tarwe zwart ruim twee gulden, een kilo boter tussen de fl. 25.- en fl. 30,-, eieren drie kwartjes per stuk en een biggetje tegen de honderd gulden. Een nieuwe buitenband voor de fiets moest tussen de tachtig en honderd gulden opbrengen en een binnenband kwam op vijfentwintig gulden. Iets meer dan een jaar later waren de prijzen nog stukken hoger.  Een kilo graan moest inmiddels bijna drie gulden kosten en een kilo boter - een schaars produkt in Zeeland - vijfenveertig gulden.
Bron: Zeeland 1940-1945


Fruit tussen vrees en vrede 1940-1945
Nadat Nederland gecapituleerd had op 14 mei 1940 ontbrandde de strijd in Zeeland, met name in Kapelle en Schore. De verdediging van Zeeland was in handen van het Franse 271 Regiment Infanterie. Bij de verovering van Kapelle door de Duitsers, sneuvelden bijna 80  Franse soldaten. De boomgaarden boden zowel voor de verdedigers als voor de aanvallers dekking en bescherming. De materiële schade in Schore en Kapelle was aanzienlijk en er vielen ook 5 burgerslachtoffers te betreuren. De bezetters waren in het begin vriendelijk ten opzichte van de bevolking. En de bezetting leek wel mee te vallen. Na het puinruimen kwam het dagelijks leven weer op gang. De bezetter zorgde voor goede prijzen voor het fruit. Men hoorde de fruittelers dan ook niet klagen. Wel ging men, uit voorzorg, meer fruit wecken en drogen dan in voorgaande jaren. Al op 1 januari 1941 werd de gemeente Schore opgeheven en werd het dorp toegevoegd aan de gemeenteKapelle. Het gemeentebestuur van Kapelle wist te voorkomen dat er een NSB-er burgemeester werd door telkens een waarnemend burgemeester te benoemen. Alle geboden en verordeningen van de Duitse bezetter werden, als het mogelijk was, ontdoken.
Bron: SCEZ 

 

Van een nijpend tekort was in 1941 nog geen sprake, al dwong de schaarste aan levensmiddelen dehuisvrouwen ertoe een strak beleid te voeren. Zij waren in een zee-landelijke provincie als de onze nog niet geheel en al aangewezen op de afgemeten rantsoenen. Honderden boeren hielpen de stadsmensen tegen civiele prijzen aan aardappelen, groenten, melk en eieren. Ook was er enige aanvoer van vis; men kon in Zeeland mosselenkopen tegen tien cent per kilogram en ongepelde garnalen voor 40 cent het pond.

Zodra het graan genseden was, stortten vrouwen en kinderen zich op het stoppelveld om aren te rapen. Een kilo tarwe leverde zowat anderhalf brood van acht ons op, er waren gezinnen die twintig en meer kilo's raapten. De molenaar nam die klusjes met de grote partijen mee en wie zelf geen oven had, deed een beroep op de bakker die tegen een kleine vergoeding een kostelijk brood zonder bon leverde.
Bron: Zeeland 1940-1945, deel 1 

distri bericht1


Wat de schaarste betreft, is de realiteit dat de Nederlander tot september 1944 redelijk goed at en dat leveringen aan de Duitsers de voedselsituatie nauwelijks beïnvloedden. De perceptie was echter geheel anders. Al in 1940 en 1941 rapporteerden de stemmingsberichten verregaande ontevredenheid over de voedselvoorziening. Het was ‘Thema Nr.1 der so materiell veranlagten niederländischen Bevölkerung’, zo heette het in oktober 1940, dat ‘bei allen Gelegenheiten, vor allem am Biertisch, viel bemeckert’ werd. Dagboekschrijvers dachten al in 1940 en 1941 dat een hongersnood voor de deur stond, klaagden over hun permanente hongergevoel, meldden hoe zij en anderen afvielen en wisten zeker dat er allerlei door het slechte eten veroorzaakte ziekten door het land waarden. Dit enorme verschil tussen waarneming en werkelijkheid is goed verklaarbaar: men dacht tijdens de oorlog te weinig te eten, omdat men vóór de oorlog te veel en te vet at. Men at objectief bezien genoeg, maar voelde toch honger.
Dagboeken en stemmingsberichten laten zien dat men het nieuwe gezag met grote tegenzin gehoorzaamde. Vanaf de meidagen vond vrijwel iedereen dat de Duitsers hier niets te zoeken hadden, dat de bezetting een rare, onhoudbare en ongetwijfeld tijdelijke situatie was en dat het Duitse bestuur niet deugde; dit overigens in tegenstelling tot de Duitse soldaten, die zich verrassend correct bleken te gedragen. De inschikkelijke opstelling van de bevolking, zo schreef niemand minder dan rijkscommissaris Seyss-Inquart in juli 1940, verhulde ‘die wahre Einstellung der Niederländer gegen die Deutschen’. Nog geen maand na de capitulatie rapporteerde het Rijkscommissariaat dat de Nederlandse ‘Dickköpfe’ zo anti-Duits waren dat propaganda daaraan niets zou veranderen. In november heette het dat de ‘breite Masse’ van het volk zich afkeerde van ‘alles Deutsche’, terwijl in januari 1941 de stemming zo ‘anhaltend deutsch- und nsb-feindig’ was dat je kon spreken van een ‘kaum noch zu überbietenden Tiefpunkt’
Bron: Isgeschiedenis.nl

 


 Terug hoofdpagina klein