Bunkers: Vlissingen Landfront

Vlissingen was gedurende de Tweede Wereldoorlog een belangrijke positie en werd krachtig versterkt als onderdeel van de Duitse verdedigingslinie ‘Atlantikwall’. Om de vesting te beschermen tegen aanvallen in de rug werd er aan de landzijde van de stad een verdedigingsgordel aangelegd. Dit zogeheten Landfront bestond uit een kilometerslange tankgracht met daarachter tientallen kazematten voor mitrailleur en antitankgeschut. De linie begon in het westen in de duinen van Groot-Valkenisse en liep over Koudekerke naar het Kanaal door Walcheren. Aan de oostelijke zijde van het kanaal vervolgde het Landfront haar weg richting Ritthem waar de linie in de Schorerpolder bij het Fort Rammekens eindigde. Het grootste deel van het Landfront is behouden.
In november 1944 was de linie, ondanks alle energie die in de bouw was gestopt, niet af en waren er nog plannen voor extra mitrailleurkazematten. Toch vormde de linie samen met de achterliggende artilleriebatterijen een zodanige bedreiging voor de landende eenheden dat mede hiertoe besloten werd de verdedigingswerken uit te schakelen door het eiland onder water te zetten. De Duitsers trachtten de kazematten en bunkers nog zo lang mogelijk te behouden door ze te beschermen tegen het zeewater. Hiertoe werden de toegangen, geschutsopeningen en luchtinlaten steeds hoger dichtgemetseld. Uiteindelijk heeft dit weinig geholpen en moesten de kazematten als verloren worden beschouwd. Bij verschillende Landfront-bunkers zijn deze noodmaatregelen heden ten dage goed te zien. Tevens laten de zeepokken op de bunkerwanden duidelijk zien dat het eiland lang onder water heeft gestaan.


Het Widerstandsnest Fledermaus
Het steunpunt 'Fledermaus' in de duinen van Klein-Valkenisse vormde de eerste schakel van het Landfront Vlissingen en is vernoemd naar een opera van Richard Wagner. De stelling kon de drakentandversperring onderaan de duinvoet met vuur bestrijken. Hiertoe was in de stelling een geschutskazemat aanwezig met een antitankkanon dat flankerend over de versperring vuurde. De versperring zelf was opgebouwd uit meerdere rijen betonpiramides en had tot doel geallieerde tanks te stoppen. Er werd hier voor een betonnen versperring gekozen om te voorkomen dat het brakke water van de tankgracht het nabijgelegen waterwingebied van Valkenisse zou besmetten. Deze voorziening was voor de Duitsers van groot belang om de vesting gedurende een beleg van drinkwater te kunnen voorzien. Aan de buitenzijde van de drakentandversperring werden extra versperringen geplaatst zoals stalen Tsjechische 'egels'. Verder waren er omvangrijke mijnenveldenaangelegd. Al deze hindernissen moesten er voor zorgen dat de toegang tot de vesting bemoeilijkt werd.
Na de oorlog zijn zowel de bunkers van het steunpunt Fledermaus als de drakentanden grotendeels onder het zand verdwenen.

 

In 1940 werd op Walcheren gestart met de aanleg van een kustbatterij langs de monding van de Westerschelde: het Seefront. In februari 1942 werd Vlissingen als Stützpunkt aangemerkt: bouw van het Landfront. Uitbreiding volgde in augustus 1942 toen Vlissingen tot Verteidigungsbereich werd verklaard.

Het Widerstandsnest Carmen en het barakkenkamp
Ter ondersteuning van het Landfront tussen Valkenisse en Koudekerke was in de duinen van Klein-Valkenisse een infanteriereserve ondergebracht. Deze stelling was bekend onder de naam Carmen, naar de opera van Georges Bizet en werd in 1942-1943 gebouwd. Het complex bestond uit zeven bomvrije bunkers, waaronder woonbunkers voor totaal 80 manschappen, een gewondenverzamelplaats en een artillerie-waarnemingspost. Onderaan de duinvoet van Valkenisse werd een barakkenkamp neergezet om de vele bunkerbouwers onder te brengen. Dit kamp met een capaciteit van 261 man behoorde tot het Duitse staatsbouwbedrijf de Organisation Todt (de O.T.) en werd aangeduid als Lager Jena. Toen in de nazomer van 1942 de bunkerbouw in het kader van de Atlantikwall serieus ter hand werd genomen, arriveerden snel grote aantallen werknemers die hun intrek namen in de kampen. Naast de legering had dit kamp een keuken, sanitaire voorzieningen en een administratiegebouw. Voor de personele bescherming bij luchtaanvallen zijn in het kamp twee schuilkelders uit metselwerk opgetrokken.
Na de oorlog werd het barakkenkamp al snel gesloopt en verdween het steunpunt Carmen al snel onder het duinzand en de begroeiing. Heden ten dage is Carmen grotendeels bewaard gebleven, edoch verzand. Van het O.T.-kamp resteren slechts de fundamenten van de verschillende barakken, alsmede deze twee intacte schuilkelders. Een ander behouden bouwwerk is een telefoonschakelpost die de kabelverbindingen van de steunpunten Carmen en Fledermaus en het barakkenkamp richting Vlissingen en Zoutelande verzorgde.

Terug hoofdpagina